‘Na je dood leef je in anderen voort’

De titel van deze post is de kop boven een artikel over / interview met Jennifer Tee (*1973, Arnhem), de enige Nederlandse kunstenaar die uitgenodigd is nieuw werk te produceren voor de Manifesta in Zürich. Ze zal deze zomer een installatie maken in een rouwcentrum’, de NRC van 5 april.

Ik citeer:Vandaag maakte Manifesta bekend dat Tee, die bekendstaat om haar kleurrijke installaties vol multiculturele invloeden, bij de selectie zit van dertig kunstenaars die nieuw werk mogen maken voor de tentoonstelling.

Het thema van deze elfde editie van Manifesta is “What People Do For Money: Some Joint Ventures”. Kunstenaars worden gekoppeld aan gastheren en gastvrouwen die allemaal een specifiek beroep vertegenwoordigen, van bakkers en kappers tot bankiers of brandweerlieden.

Tee stelde voor om met een begrafenisondernemer samen te werken. Ze is net terug uit Zürich, waar ze een ontmoeting had met haar ‘host’ Rolf Steinmann, die als directeur Bestattungsamt hoofd is van alle begraafplaatsen van Zürich. „Het klikte meteen. We hebben een aantal mogelijke locaties bezocht, waaronder een mortuarium en een rouwcentrum.”

Op die laatste plek, in twee zaaltjes van de Aufbarungs Warteraum op de begraafplaats Rehalp, zal Tee komende zomer een nieuwe installatie maken. „Het is een locatie die zowel neutraal is als confronterend. De ruimtes zijn klein, maar je ziet direct waar ze voor bedoeld zijn. Het is een soort tussengebied, waar mensen worden opgebaard voordat ze begraven of gecremeerd worden. Ze zijn al overleden, maar hun lichaam is nog aanwezig. Dat lichaam is heel privé, maar hier komt het in een ander stadium terecht. Het is overgeleverd aan een bepaalde industrie, het is een object geworden. Er zit een zeker perfomatief element in de handelingen die daarna worden verricht met dat lichaam: het balsemen, het aankleden, het opmaken.”

Veel van de werken van Tee gaan over de connectie tussen lichaam en geest. Ze is erg geïnteresseerd in die tussenfase tussen leven en dood, vertelt ze. „Zolang je leeft, draag je al je herinneringen en ervaringen met je mee. Dat verandert op het moment dat je komt te overlijden. Dan wordt jouw geheugen overgenomen doordat andere mensen jou in herinnering gaan nemen. Op die manier leef je dan deels toch voort. Het zijn thema’s waarmee ik mij in mijn werk bezighoud, en waarover ik ook met de begrafenisondernemer heb gesproken. Hij vertelde me dat hij altijd aanklopte voordat hij de deur van een opbaarkamer binnentrad, uit respect voor die overleden persoon. Dat vond ik mooi. Blijkbaar wordt het lichaam dan toch nog niet gezien als object.”

… (Ze) zal in het rouwcentrum in Zürich nieuwe installaties maken – driedimensionale collages die Tee diagrammen noemt. „Ik wil dat mijn werk niet gaat over één specifieke beschaving of tijd. Het moet door alle culturen en alle religies heen gaan. Doordat ik die objecten opnieuw rangschik, komen ze weer tot leven.”’

Tot zover mijn citaat uit de krant. Wat een herkenningen … Ik kies er zomaar enkele :

… In 1995 publiceerde ik een ‘essay à permutations’ met vrijwel dezelfde titel als de kop boven dit artikel in de krant: ‘ZOLANG ER IEMAND IS DIE NOG AAN JE DENKT [ben je nog niet dood], …´ Karma en reïncarnatie [= k*r] …:: … feit of fictie, waarheid of bedenksel, realiteit of verzinsel?’

… “… een soort tussengebied, …”; ik citeer uit een recent opusculum: E.S. Bayard, ‘Laatste tekst voor de grens: requiem op een verzuim. Een woordenweefsel’: “Van Rudolf Steiner leren we dat de gestorvenen niet echt dood zijn. Ze leven alleen op een andere manier. Op die andere manier zijn ze bij ons, om ons heen, in ons. Ze kunnen ons bijstaan; omgekeerd kunnen wij hen helpen in de dimensie waarin zij nu verkeren. Die dimensie noemen wij meestal het hiernamaals. Dat is een foute naam. Dat zogenaamde hiernamaals is even goed het hiervoormaals voor ons volgend leven; dat is net zo belangrijk. Hiertussenmaals is de juiste naam, of limbus – een oud woord voor wat ook wel purgatorium of vagevuur heet.”

… “Ze zijn al overleden, maar hun lichaam is nog aanwezig. Dat lichaam is heel privé, maar … komt … in een ander stadium terecht.” Ik citeer uit het hierboven genoemde opusculum:Terra tegit carnem, Umbra circumvolat tumulum, Orcus habet manes, Spiritus astra petit” .‘De aarde bedekt het vlees, de schaduw vliegt rond de grafheuvel, de onderwereld heeft de ziel, de geest streeft naar de sterren. Een zo begrijpelijk mogelijke vertaling naar inhoud, strekking en geest zou kunnen zijn: ‘Mijn stoffelijke resten [fysiek lichaam] mogen verpieteren in de aarde tot er hoegenaamd niets van over is. Voor zover ik verwant was met de plant en ik haar krachten had gemetamorfoseerd tot vitaal bewustzijn, mijn vegetatief bestaan [aetherlichaam], zal ik de eerste tijd besteden aan het afscheid nemen daarvan. Mijn animale verlangens en begeerten en andere onbruikbare ongein die in het hiertussenmaals niet passen astraal lichaam], moeten en zullen gelouterd worden in wat bekend staat als het Purgatorium. Wat daarna van mij zal resten [mijn zgn. hogere Ik, ook wel genoemd ‘wezenskern’] zal verder opstijgen tot de Middernachtszon, het grote karmische omstulpingsmoment. Vandaar ik zal beginnen aan de afdaling naar mijn volgende incarnatie.’

Wordt vervolgd

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *