Over Kairos

Stichting Kairos karma en reïncarnatie [afgekort tot ‘Kairos k-r’]

het RSIN: 807 01 54 90

 

de contactgegevens: Hugo S. Verbrugh, Mecklenburglaan 34, 3062 BK Rotterdam, hugo@verbrugh.nl

 

de bestuurssamenstelling en de namen van de bestuursleden: er zijn twee bestuursleden: dr. H. S.Verbrugh en prof. dr. S.W. Couwenberg, beide emeriti van de EUR

 

het beleidsplan: (1) de stichting werd door de eerstgenoemde bestuurder opgericht op 22 augustus 1960. De oprichter werd op die dag 60 jaar, zag, als universitair personeelslid, zijn tot pensioen verplichtende leeftijd naderen, en wilde een ‘domein’ in de maatschappij creëren waar hij datgene dat voor hem het leven zinvol maakt, in wisselwerking met andere personen en gremia en op maatschappelijk relevante wijze kunnen voortzetten. (2) Inspirerend leidmotief was toen de volgende citaat van Karl Marx uit 1845 (in ‘Thesen über Feuerbach’) : ‘De filosofen hebben tot nu toe alleen nagedacht over de wereld, de wereld verschillend geïnterpreteerd. Het komt er op aan haar te veranderen.’ (3) Dat is nog steeds een geldig oordeel. Alleen gaat het er nu niet om de wereld te veranderen van kapitalistisch in communistisch zoals voor Marx, maar om de filosofie van karma en reïncarnatie te ontwikkelen en haar de te geven in de westerse cultuur die zij moet gaan nemen als de mens zich in vrijheid verder wil kunnen ontwikkelen. Dat wil de Stichting Kairos k-r bevorderen. (4) Kairos is een Grieks begrip. Een actuele omschrijving van ‘kairos’ zou kunnen luiden: een tijdstip dat door de mensen die voldoende alert zijn herkend kan worden als het moment waarop een bepaalde handeling bijzondere kans op succes heeft. De naam van de stichting brengt tot uitdrukking dat de tijd rijp is karma en reïncarnatie theoretisch uit te werken.

 

het beloningsbeleid: alle werkzaamheden worden verricht in het perspectief van vrijwilligerswerk. Er vinden geen beloningen of vergelijkbare betalingen plaats. De Stichting heeft sinds een rekening bij Triodos Bank: 0254837832 IBAN: NL66TRIO025483783. De stichting beschikt niet over een vermogen; de cash flow is als regel eerder in tientallen dan in honderden euro’s per jaar.

 

de doelstelling: zie bij beleidsplan

 

een verslag van de uitgeoefende activiteiten: de Stichting heeft tot voor kort een zogeheten slapend bestaan geleid. Vorig jaar is een boek gepubliceerd Hugo Verbrugh en René de Vos, Voeding, brein en ritme – De wijsheid van de darm en de nieuwe voedingsadviespraktijk, ISBN 978-90-76494-07-4, NUR 893; de uitgave is mede mogelijk gemaakt door Stichting Folia Orthica, Almere. De Stichting werkt thans aan de productie van gezelschapsspelen, met name kwartetspelen, die dienen als materiaal voor gesprekken in groepen over thema’s die binnen de doelstellingen van de stichting vallen, en zij organiseert en/of doet mee aan de organisatie door anderen van zulke gesprekken.

een financiële verantwoording: voor zover binnen stichting geld omgaat komt dit van schenkingen van bestuursleden. Alleen voor het hierboven genoemde boek is een subsidie ontvangen die de productiekosten heeft gedekt.

 

3 thoughts on “Over Kairos

  1. BDE, ik zag in een blog van Gastkemper dat je een artikel geschreven zou hebben ivm het boek van Pim van Lommel, eindeloos bewustzijn. Maar kan dit in je website niet (meer) vinden, het zou 46 blz. Tellen.
    Ik vraag me ook al langer af waarom men heel moeilijke theorien aan het bedenken is om BDE te verklaren terwijl dat al lang en breed door Rudolf Steiner uitgelegd is. is je artikel nog beschikbaar?

  2. De Bijna Dood Ervaring en de verhalen erover – geven ze een bijdrage tot een realistischer postmortaal levensperspectief ? *
    Hugo Verbrugh Gepubliceerd in Civis Mundi, 2009

    In 1964 stelde de destijds wereldberoemde Engelse bioloog Sir Peter Medawar dat de gangbare wetenschappelijke publicaties eigenlijk allemaal bedrog zijn. Dat bedoelde hij ironisch, in de zin dat wetenschappelijke onderzoekers in hun publicaties altijd nadrukkelijk verzwijgen wat hun eigenlijke, persoonlijke motieven zijn voor hun werk. Ze doen in hun publicaties net alsof de problemen die ze proberen op te lossen als zuiver objectieve gegevens in de wereld staan, los van elke soort persoonlijke betrokkenheid. ‘Eindeloos Bewustzijn’ is wat dit betreft het absolute tegendeel van bedrog. Van Lommel werkt en publiceert bijna letterlijk uit de grond van zijn hart, en spreekt de lezer uitdrukkelijk niet alleen in zijn verstand aan, maar ook in haar of zijn gevoel.

    Intiem bereik
    Inzake het thema van Van Lommel is deze ruimere doelstelling legitiem, eigenlijk zelfs noodzakelijk. Over de Bijna Dood Ervaring oftewel BDE kun je immers niet spreken of schrijven zonder dat de vraag hoe het is om ‘helemaal, echt dood’ te zijn in het bewustzijn komt, inclusief de direct daaraan aansluitende vraag of er hierna misschien nog ‘iets’ komt en zo ja wat. Dan is het op zijn minst gekunsteld als je die vragen niet ook expliciet aan de orde stelt, maar zodoende beweeg je je wel letterlijk in het meest intieme bereik van het leven van de mens, want doodgaan is de sublieme eenzame ervaring bij uitstek, zoals onder meer Norbert Elias uitgewerkt heeft.1 Tegelijk maakt even letterlijk ieder mens deze uniek intieme ervaring ooit mee, en weten we dat. Dat legitimeert het streven om deze ervaring ‘objectief’, althans zo objectief mogelijk, wetenschappelijk te thematiseren. En omdat per definitie niemand achteraf kan vertellen hoe het was om echt dood te zijn (geweest), lijkt de BDE een aangewezen weg om althans enig inzicht, hoe indirect ook, te krijgen in hoe het zal zijn als men helemaal dood is.
    De BDE is voor onderzoek naar de dood en de vraag naar een postmortaal levensperspectief te vergelijken met de droom en het onderzoek naar het onbewuste.2 Beide verschijnselen raken de mens direct subjectief persoonlijk, waardoor de verwoording ervan altijd problematisch is. Maar er is een belangrijk verschil. Dromen doet praktisch ieder mens meer of minder vaak – ook de onderzoeker zelf. Met name Freud is vaak uitdrukkelijk ook autobiografisch in zijn verhalen over dromen. De BDE is daarentegen uitzonderlijk en meestal éénmalig. De BDE-onderzoeker kan daardoor alleen werken met materiaal dat anderen hem aanreiken.
    Deze omstandigheden maken dat de manier waarop de BDE moet worden onderzocht enkele specifieke kenmerken vertoont die wij niet vinden bij onderzoek naar alle andere thema’s waarover men onderzoek kan doen. In normaal wetenschappelijk onderzoek (‘normaal’ in de zin van Thomas Kuhn, als onderzoek binnen het ‘denkraam’ van het vigerende paradigma c.q. de vigerende paradigma’s3 ) gelden enkele randvoorwaarden die de wetenschapsfilosofie expliciet thematiseert. In het gangbare onderzoek werkt de onderzoeker vanuit een toeschouwersbewustzijn. De onderzoeker sluit zich zelf uit, is zo min mogelijk geïnvolveerd in zijn object van onderzoek. Hij streeft naar pragmatisch effectieve kennis, werkt methodologisch reductionistisch, dat wil zeggen hij verkavelt de werkelijkheid in losse onderdelen, maar hij doet dat niet omdat hij meent dat de werkelijkheid echt zo is [daarover vormt hij zich geen gedachten; hij zegt er althans hardop niets over], maar omdat hij – op goede gronden – meent dat stuksgewijs deelproblemen over kleine onderdelen aanpakken eerder tot oplossingen leidt dan een groot probleem meteen in zijn geheel willen behappen. Specifiek relevant voor BDE-onderzoek is dat het gangbare paradigma ook een agnostische grondhouding vooronderstelt, wat in dit verband nu juist helemaal niet kan. Dit geldt allemaal bij uitstek voor natuurwetenschappelijk onderzoek in het algemeen. Maar dat is hier aan de orde want Van Lommel is cardioloog en presenteert zijn onderzoek immers uitdrukkelijk als een stuk medisch wetenschappelijk werk.
    BDE-onderzoek valt dus uitdrukkelijk niet onder normale wetenschap. Er moet dus expliciet een wetenschapsfilosofische onderbouwing aan gegeven worden. Vinden wij die terug in het onderzoek van Van Lommel? Voordat ik die vraag bespreek wil ik eerst een zo neutraal mogelijke samenvatting van het boek geven. Dat is niet eenvoudig omdat ik mij zelf erg betrokken voel bij het onderwerp. Daarom geef ik in plaats van een eigen samenvatting een citaat uit een recensie van iemand anders. Ze is van Gerald Woerlee, anestesioloog en zelf auteur van enkele boeken op dit gebied, en verschenen in het tijdschrift van Stichting Skepsis, Skepter onder de titel: Kritische kijk op paranormale verschijnselen en pseudo-wetenschap (20e jaargang nr. 2 winter 2007, blz. 36-41).

    Baanbrekend
    “Dokter Pim van Lommel is internationaal bekend door zijn onderzoek naar bijna-doodervaringen (BDE’n) tijdens reanimatie voor hart­stilstand.4 Hij heeft het BDE-fenomeen gedurende vele jaren bestudeerd tijdens zijn werk als cardioloog, verbonden aan het Rijnstaete Ziekenhuis te Arnhem, maar ook in zijn functie als medeoprichter en bestuurslid van de Stichting Merkawah. Het resultaat van zijn jarenlange werk en studie van BDE’n is zijn boek Eindeloos Bewustzijn: een wetenschappelijke visie op de bijna­dood ervaring, een lijvig, mooi geproduceerd boek. Het bestaat ei­genlijk uit twee delen. Een klein deel is een uitvoerige beschrijving van zijn in 2001 gepubliceerde onderzoek. De rest is een uiteenzet­ting van zijn meningen over de oorzaken en betekenis van BDE’n. Van Lommels onderzoek is baanbrekend en tot op heden uniek in de wereld. De kwaliteit van dit onderzoek, de visie, en het doorzettingsvermogen van Van Lommel en zijn medewerkers zijn be­wonderenswaardig.
    Ondanks de uiterst sceptische en materialisti­sche omgeving van het Rijnstaete Ziekenhuis en collegae-specia­listen, is het zijn groep gelukt 344 pas gereanimeerde mensen verspreid over tien ziekenhuizen in de omgeving van Arnhem vol­gens een strak protocol te interviewen over hun ervaringen, en wel binnen een week na hun reanimatie. Vervolgens hebben ze de 62 mensen (18 procent) die een BDE ondergingen tijdens hun reanimatie, twee standaard-interviews afgenomen, namelijk twee en acht jaar na hun reanimatie. Tevens namen zij dezelfde interviews af bij een controlegroep BDE-loze gereanimeerden. In de loop van 2001 publi­ceerden zij de resultaten in The Lancet (Lommel, 2001). Het is een uitstekend en solide onderzoek dat optreden, aard en gevolgen van BDE’n beschrijft die mensen kunnen ondergaan tijdens reanimatie voor hartstilstand.”
    Tot zover het citaat. Dit positieve oordeel over het eerste onderzoek van Van Lommel en medewerkers wordt in brede kring gedeeld. Dat geldt echter ook voor de kritiek die Woerlee in de rest van zijn artikel geeft op wat Van Lommel nu in ‘Eindeloos Bewustzijn’ presenteert . “Ik ben het echter niet eens met de conclusies die Van Lommel uit zijn onderzoek trekt. Ik zal dat zo eenvoudig mogelijk uitleggen.”, besluit Woerlee zijn samenvatting van het eerste onderzoek van Van Lommel.
    Ook ik ben het niet eens met de conclusies die Van Lommel aan zijn onderzoek verbindt, en ook ik zal zo eenvoudig mogelijk uitleggen wat mijn bezwaren zijn. Daartoe moet ik eerst mijn eigen samenvatting geven van wat Van Lommel, als ik hem goed begrijp, met dit boek beoogt en erin betoogt – en mijn voorbehoud ‘als ik hem goed begrijp’ bedoel ik hier niet gratuit-opportunistisch. ‘Eindeloos Bewustzijn’ is een doorwrocht, veelomvattend, veelzijdig en niet altijd systematisch-overzichtelijk betoog. Sommige passages worden soms letterlijk herhaald, deel-thema’s komen in verschillende hoofdstukken terug in verschillende contexten, en zo zijn er meer kenmerken die een simpele samenvatting moeilijk, zo niet onmogelijk maken.
    Onder dit voorbehoud lees ik in ‘Eindeloos Bewustzijn’ in essentie het volgende. Er bestaat een bepaald type uitzonderlijke ervaring waarin mensen ‘klinisch’ zó ver ‘dood’ zijn dat de wijze waarop hun hersenen fysiologisch functioneren sterk lijkt op de toestand waarin ze verkeren als ze echt dood zijn. Deze ervaring komt overal ter wereld voor, en vertoont bij verschillende mensen een wisselend maar beperkt aantal elementen die altijd en overal terugkomen. De overeenkomsten zijn van meer belang dan de verschillen, en ze wettigen de stelling dat de BDE een realistische indruk geeft van het postmortale bewustzijn. Dit bewustzijn heeft dan geen fysieke basis en kan bij uitstek goed begrepen worden in termen van de moderne kwantum-mechanica. De betekenis van de BDE ligt vooral in de overeenkomsten die deze ervaring heeft met oude intuïtieve inzichten over het voortbestaan van de, alsdan lichaamsvrije, ziel na de dood van het lichaam die in vele verschillende religieuze tradities leven, maar die evenzeer in oude en eigentijdse esoterische scholen worden geleerd.

    Wetenschapsfilosofie
    Dat is een verstrekkende boodschap. Er valt veel op af te dingen. Een adequate kritische bespreking ervan zou een inadequate hoeveelheid ruimte vergen. Ik geef puntsgewijs een korte aanduiding van mijn voornaamste bezwaren. Ik begin met mijn voornaamste algemene bezwaar. Zoals eerder aangeduid valt BDE-onderzoek niet onder normale wetenschap en moet er daarom expliciet een wetenschapsfilosofische onderbouwing aan gegeven worden. Dat doet Van Lommel ook wel, maar onvoldoende en veelal onjuist.
    (1) Van Lommel verwijst met name enkele malen naar Thomas Kuhn, bij voorbeeld op blz. 20-21:
    ‘De Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn (1922-1996) stelt dat de meeste wetenschappers nog steeds proberen theorie en feiten in nauwere overeenstemming te brengen met het al bij voorbaat geaccepteerde (materialistische) paradigma, hetgeen hij in essentie beschrijft als een verzameling ”geloofsovertuigingen die door wetenschappers worden gedeeld”.
    Dat is erg kort door de bocht, en wordt door Van Lommel ten onrechte gebruikt als reden waarom de BDE als bevinding die niet in het bestaande paradigma past, door veel wetenschappers wordt afgewezen. De paradigma-filosofie is veel subtieler. Ze kan weliswaar gebruikt worden om te verklaren waarom velen moeite hebben met de BDE, en zeker met de verstrekkende consequenties die Van Lommel verbindt aan het onderzoek hiernaar. Maar dat kan alleen wanneer men meer oog heeft voor details in de analyse dan Van Lommel in zijn boek aan de dag legt. Op blz. 244 en verder herhaalt hij zijn beweringen, met onder andere de stelling dat in het verleden abnormale bevindingen juist altijd de sleutel geweest zijn tot wijzigingen van wetenschappelijke paradigma’s. Dit ‘altijd’ is, alleen al omdat ‘anomalie’ geen scherp omschreven begrip is, een veel te globaal oordeel. Wie zó omgaat met de filosofie van Kuhn, heeft de essentie daarvan niet begrepen, en kan diens theorie niet op zijn probleem toepassen.
    (2) De gebrekkige filosofische onderbouwing komt ook tot uiting op blz. 16 waar Van Lommel het bewustzijn bespreekt, en naar aanleiding van de vraag naar een biologische basis voor het bewustzijn noteert: Is er (wel) een biologische basis voor bewustzijn? Op verschillende plaatsen licht hij deze vraag en zijn eigen ontkennende antwoord toe in de zin dat het bewustzijn niet kan worden opgevat als een ‘product’ van onze hersenen – maar dat is onder meer geavanceerde neurowetenschappers nu intussen wel algemeen geaccepteerd. Het echte probleem ligt in de aard van de wederzijdse relatie tussen bewustzijn en biologisch correlaat.5 Van Lommel wijst er, terecht, weliswaar zelf op hoe problematisch en ondefinieerbaar het begrip ‘bewustzijn’ is, maar bij de wijze waarop hij dat doet, heb ik wel enkele kanttekeningen.
    Treffend vergelijkt Ernst Cassirer (1874-1945) het bewustzijn met Proteus, met de ‘eerste’ figuur in de Griekse mythologie, de figuur die telkens andere gedaanten aanneemt, maar zelf nooit en nergens grijpbaar is. ‘Denn der Bewusstseinsbegriff scheint der eigentliche Proteus der Philosophie zu sein’, schrijft hij. ‘Er tritt in all ihren Problemgebieten auf, aber zeigt in keinem von ihnen dieselbe Gestalt, sondern ist in einem unablässigen Bedeutungswandel begriffen.’ 6 Enerzijds zijn het fenomeen en zelfs het begrip ‘bewustzijn’ zó ongrijpbaar, dat zelfs een vraag alsVan Lommel hier stelt niet te beantwoorden is. Anderzijds kunnen we ons van iets dat geen (biologische) basis heeft geen voorstelling maken in de zin waarin wij in de medisch-biologische wetenschappen empirisch onderzoek doen; want een ‘voor-stel-ling’ heeft per definitie althans énige fysiek-ruimtelijke associaties. Voor zover de vraag van Van Lommel door hem ontkennend beantwoord wordt, kunnen we geen empirisch onderzoek aan het bewustzijn doen – maar dat kan toch niet de bedoeling zijn?
    De moeilijkheid om precies te begrijpen wat Van Lommel bedoelt wordt nog sterker als we op blz. 17 lezen: ‘… moeten we een beter inzicht krijgen in de relatie tussen hersenfuncties en bewustzijn’. Dus is er wel een of ander correlatie tussen het bewustzijn en een of andere ‘biologische basis’. Daarover gaan verschillende passages in het boek, en de kern ervan is, als ik het goed begrijp, dat de hersenen te vergelijken zijn met een soort gecombineerde ontvangst- èn zend-apparatuur die ‘bewustzijn’ opvangt en weer doorgeeft en zodoende ook spiegelt (blz. 24 [televisie-toestel], blz. 245 en elders). Maar dan is er dus toch een soort ‘correlaat’, en wat is dan precies het verschil tussen dit ‘correlaat’ en de ‘(biologische) basis’? Die vraag, een ‘hot issue’ in de neurowetenschappen, lijkt me, gezien het ‘proteïsche’ karakter van het bewustzijn, niet te beantwoorden..
    (3) Op blz. 18 stelt Van Lommel twee vragen: (a) ‘Is hersendood wel dood … ? (b) Is er nog sprake van bewustzijn wanneer iemand definitief is overleden …?’.
    Vraag (a) lijkt mij ondubbelzinnig te kunnen en moeten worden beantwoord, en wel met een krachtig ‘nee’ – en daar ligt een van belangrijkste zwakke plekken in het BDE-onderzoek. De BDE is per definitie een tijdelijke toestand; de dood is irreversibel – niemand weet met zekerheid iets over wat er daarna gebeurt (ALS er dan al nog iets ‘gebeurt’); alle overwegingen over eventuele inzichten in de dood en een eventueel daarna die we zouden kunnen krijgen uit BDE-verhalen zijn speculatief. Dat is, dunkt me, een van de voornaamste redenen voor de door Van Lommel op verschillende plaatsen in zijn boek genoemde aversie van wetenschappers tegen BDE-onderzoek (onder andere blz. 323, ‘Waarom is er zoveel weerstand in de medische en wetenschappelijke wereld tegen onderzoek naar de oorzaak en de inhoud van een BDE?’). Die aversie richt zich helemaal niet tegen BDE-onderzoek als zodanig. De receptie van Van Lommels onderzoek in The Lancet bevestigt dit. De aversie richt zich tegen de wijze waarop van Lommel verder gaat dan verantwoord is in zijn gevolgtrekkingen en tegen de geringe mate waarin hij ingaat op kritiek. Een eventueel voortbestaan na de dood kan volgens het demarcatie-criterium van Popper, dat wetenschap onderscheidt van niet-wetenschap, namelijk niet wetenschappelijk onderzocht worden. Als je dat toch doet, dan moet je het wel grondig en met kennis van zaken filosofisch onderbouwen.
    Vraag (b) is niet te beantwoorden, al was het maar om de simpele reden dat – als ik goed begrijp wat Van Lommel verderop op verschillende plaatsen in zijn boek tentatief betoogt (bij voorbeeld op blz. 210) -, ‘de non-lokale ruimte’ een basis zou kunnen zijn voor het bewustzijn. Maar in die non-lokale ruime is ‘alles onzeker en zijn metingen noch waarnemingen mogelijk”
    (4) Op blz. 19 stelt Van Lommel: ‘En de vraag is dus: is de mens zijn lichaam, of heeft de mens een lichaam?’. Die vraag is, voor zover zulke vèrstrekkende vragen ooit beantwoord kunnen worden, beantwoord in de wijsgerige antropologie. De mens heeft zijn lichaam en is (tot op zekere hoogte) zijn lijf. Het ‘overkoepelende’ begrip dat lijf en lichaam integreert is ‘lichamelijkheid’. Theoretische en praktisch wordt dit uitgewerkt in de benadering volgens de ‘embodied cognition’. Dat is een medisch-psychologisch onderzoekprogramma waarin de relatie tussen lichaam en geest in hun samenhang als zodanig, dus zonder eerst het lichaam en de geest afzonderlijk te willen onderzoeken, onderzocht wordt. Een filosofisch adequaat onderbouwde benadering van de BDE moet deze ingang mede thematiseren.
    (5) Op blz 26 en elders komt een van de belangrijkste problemen die ik in het algemeen heb met het BDE-onderzoek tussen de regels door aan de orde. De als zodanig 100% subjectieve [‘subjectief’ in de zin van ‘alleen betrekking hebbende op het individu zoals dit zich zelf van binnenuit ervaart en beleeft’] en woord-loze ervaring van wat in de intersubjectieve talige communicatie ‘BDE’ wordt genoemd, is echt iets anders dan de verzameling woorden die het subject gebruikt om deze ervaring mee te delen aan anderen, waarvan sommigen wellicht een vergelijkbare ervaring hebben gehad maar waarvan de meesten deze niet alleen niet hebben gehad maar zich er veelal ook weinig of niets bij kunnen voorstellen, en alleen al daarom moeilijke en veelal ook ondankbare gesprekspartners zijn.
    Het probleem komt op verschillende plaatsen in het boek terug, vaak alleen tussen de regels door. Blz. 36: ‘… de meeste patiënten zwijgen over hun BDE omdat zij niet geloofd worden …’: hier speelt volgens mij iets anders mee: mensen zwijgen erover omdat zij zich zelf realiseren dat de verbale weergave van hun ervaring (a) niet adequaat is, omdat deze verbale weergave per definitie op een essentiële maar niet in woorden weer te geven wijze verschilt van de ervaring zelf; en (b) er het risico is dat de herinnering aan de uniek-bijzondere ervaring aangetast wordt door de ‘verontreiniging’ met woorden uit de gewone wereld.
    Op blz. 56 komt dit op haast dramatische wijze ook tot uiting in de geciteerde passage uit een, intussen in de kring van BDE-adepten klassiek geworden boek van George Ritchie over zijn BDE7: ‘Alles wat iemand dacht, hoe vluchtig ook, manifesteerde zich ogenblikkelijk voor allen in zijn omgeving, vollediger dan het door woorden uitgedrukt had kunnen worden’. Op paradoxale manier geeft deze passage steun aan mijn bezwaar. Ritchie heeft vermoedelijk een authentieke ervaring gehad, maar de ruimere context waarin hij deze ene zin opschreef illustreert het probleem waar ik hier op doel: alle woorden over een BDE zijn als zodanig onwaar.
    (6) Het probleem van hoe woorden ervaringen soms niet alleen weergeven maar ook kunnen vertekenen komt ook aan de orde op blz. 91 en verder in het hele hoofdstuk over kinderen. Van Lommel heeft namelijk een apart hoofdstuk gewijd aan BDE bij kinderen ‘omdat het bij jonge kinderen uiterst onwaarschijnlijk lijkt dat hun BDE het gevolg zou kunnen zijn van enige beïnvloeding. … Er zijn nog steeds mensen die denken dat iemand die een BDE heeft meegemaakt een interessant verhaal vertelt dat gebaseerd is op voorkennis over dit verschijnsel … . Maar dat gaat bij … jonge kinderen met al hun spontaniteit niet op. Het lijkt niet goed voorstelbaar dat kinderen zonder enige voorkennis zomaar een verhaaltje gaan verzinnen … In hun jeugdige onbevangenheid zullen zij praten over wat zij werkelijk hebben ervaren’.
    Ja, enerzijds zijn kinderen de onbevangenheid zelve. Maar hun BDE wordt alleen aan derden bekend doordat zij er met minstens één volwassene over spreken, maar die volwassene spreekt zelf ook, en die doet dat q.q. niet onbevangen, en die zorgt voor de schriftelijke weergave, en juist bij kinderen is dat een erkend groot probleem. ‘Kinderen nemen uitspraken van volwassenen voor waar aan, omdat ze tegen die volwassenen opkijken. Kinderen koesteren een aantal opvattingen over hun volwassen gesprekpartners die, zo weten wij, niet altijd terecht zijn. Zo vinden kinderen volwassenen indrukwekkend omdat ze groter en sterker zijn en altijd alles beter weten. Kinderen denken dan ook dat volwassenen uitsluitend zinvolle vragen stellen, waarop zij antwoord moeten geven. Deze veronderstellingen leiden ertoe dat kinderen hun uiterste best doen om een zinnig antwoord te geven op vragen als ‘Is rood zwaarder dan zwart’ en ‘Is melk groter dan water?’ Die houding wordt kinderen bij uitstek bijgebracht op school. Daar maken zij constant mee dat een volwassene vragen stelt – zoals ‘Wat is de hoofdstad van ons land?’ – waarop de volwassene allang het antwoord weet. De taak van het kind is dan om het antwoord te geven dat de onderwijzer allang in zijn hoofd heeft.’8 Uit het boek wordt niet duidelijk in hoeverre Van Lommel in zijn analyse van kinderverhalen rekening gehouden heeft met deze bijzondere omstandigheid. Ik noem nog enkele passages in het boek waar dit probleem, nu niet speciaal in verband met kinderen, aan de orde komt:
    Blz. 145 ‘(een met name genoemde auteur) … suggereert dat ”een BDE aan te praten” is’: dat is natuurlijk een onterechte suggestie, maar het risico dat mensen met een BDE in en door het gesprek interview over hun BDE de ervaring ‘mooier maken’ dan die in werkelijkheid was, lijkt me levensgroot aanwezig.
    Blz. 37: een huisarts schreef aan Van Lommel over zijn eigen BDE: ”Ik vond bij de cardiologen alleen scepsis. Ze bleven beleefd … .. onvermogen om deze ervaring aan collega-artsen en anderen mee te delen”; dat is een trefzekere samenvatting van het probleem. Op blz. 70 noemt Van Lommel zelf ‘ … precies de beperking …’ van allerlei citaten uit BDE-verhalen van anderen. ‘Men krijgt … geen zekerheid over de betrouwbaarheid …’. Maar over hoe Van Lommel zelf precies omgaat met deze ‘beperking’ oftewel met het – door mij hier uitdrukkelijk niet ‘moreel’ maar louter ‘sociaal-technisch’ bedoelde – probleem van de geloofwaardigheid en het waarheidsgehalte van deze q.q. intersubjectief onder woorden gebrachte en dus min of meer vertekende weergave van de ervaringen, krijgen wij, gegeven de reikwijdte van de claims die Van Lommel aan zijn beweringen meegeeft, relatief te weinig argumentatieve kritische onderbouwing.
    (7) Op blz. 207 en verder gaat het over kwantumfysica en bewustzijn. Daar ben ik, omdat ik mij op dat terrein geen enkele competentie aanmeet, erg kort over. Ik kan inhoudelijk ook niet beoordelen wat Van Lommel hierover schrijft. Ik begrijp niet wat hij bedoelt met de passage op blz. 210: ‘Misschien kan de non-lokale ruimte ook wel het absolute of werkelijke vacuüm worden genoemd; zij heeft geen structuur, is perfect symmetrisch, bevat geen tijd en is een lege ruimte, waarin quarks, electronen, zwaartekracht en electriciteit alle tot één geheel versmolten zijn en als zodanig ook niet langer bestaan. Deze ruimte vormt de grondslag van een oneindig aantal mogelijkheden, en bij een temperatuur van het absolute nulpunt bevat het ware vacuüm een oneindige hoeveelheid energie (nulpuntenergie). En zo zou dit absolute vacuüm, deze non-lokale ruimte, volgens sommige wetenschappers ook een basis kunnen zijn voor het bewustzijn’.
    Als ik zelf probeer te doorgronden wat hier staat, kom ik niet verder dan wat ik van Cassirer leer waar hij het bewustzijnsbegrip ‘de Proteus’ van de filosofie noemt. (Het) bewustzijn is wat je er zelf van maakt, aldus een enigszins triviale parafrase van wat ik begrijp uit wat ik van blz. 210 citeer – maar dat wist ik al. Het citaat roept twee vragen bij mij op: (a) Wat is de meerwaarde om dit begrip resp. deze onmogelijkheid tot begrijpen van het bewustzijn in verband te brengen met de kwantumfysica? (b) De kwantum-mechanica valt zowel onder de theoretische als de experimentele natuurkunde. Geregeld verschijnen berichten over werk waarin deze beide benaderingen elkaar wederzijds bevrucht hebben. Welke specifieke bijzonderheden uit BDE-verhalen worden in detail beter begrijpelijk door de gesuggereerde analogie met verschijnselen die de kwantum-mechanica thematiseert?
    (8) ‘In het verleden hadden deze ervaringen [uit de context blijkt dat bedoeld zijn BDE’n] vaak een andere naam, zoals visioenen of verlichtende, mystieke of religieuze ervaringen’, stelt Van Lommel op blz. 35. ‘In de Oudheid werden ze het verslag van een reis naar de onderwereld genoemd. De term ” bijna-dood” – ervaring is verwarrend omdat dergelijke ervaringen onder verschillende omstandigheden worden gemeld, niet alleen door mensen die de dood nabij zijn, maar ook in situaties waarbij mensen zich niet in een lichamelijk of psychisch bedreigende situatie bevinden’. Op blz. 302-322, het hele hoofdstuk 15, wordt dit verder uitgewerkt. Maar de kwalificatie ‘verwarrend’ die Van Lommel hier aan de term ‘bijna-dood’– ervaring geeft, is een understatement; de hele passage die ik hier citeer is onbegrijpelijk, want ‘deze’ en ‘dergelijke’ ervaringen zijn nu zó open gekarakteriseerd dat alles wat iemand ‘ervaart’ en later vertelt, door de betreffende naar eigen willekeur als een (variant van de) BDE kan worden benoemd.
    (9) Een enkele opmerking maak ik slechts over ‘mystieke ervaringen’ (blz. 305 en elders), reïncarnatie (blz. 326 en verder) en aanverwante thema’s. Waarom is Van Lommel daar zo extreem kort over? In de esoterie is zeer veel te vinden dat in zijn betoog zou passen. Zeer veel daarvan is aanvechtbaar of erger, maar veel ervan zou via heuristische analyse en hermeneutische duiding uiterst geschikt ‘materiaal’ leveren om in zijn analyse in te vlechten.
    (10) ‘Het lezen van dit boek zal vermoedelijk veel vragen oproepen’, schrijft Van Lommel op blz. 25. Deze voorspelling is dus wat mij betreft uitgekomen; en ik ben nog lang niet aan het einde van mijn vragen. De geschiedenis van de wetenschap in het perspectief van het paradigma leert in detail hoe nieuwe bevindingen alleen dan door de scientific community werden geaccepteerd na intensieve wisselwerking tussen de vernieuwer(s) en hun critici. Voor zover mij bekend ligt nu de 9e druk van ‘Eindeloos Bewustzijn’ in de winkel. En Van Lommel heeft ook daarin nog geen weerwoord geschreven op de verschillende kritische tegenwerpingen die tegen zijn betoog zijn ingebracht.
    Tot zover mijn voornaamste bezwaren. Ik ben niet de enige die zulke en andere bezwaren kenbaar heeft gemaakt. Toch is het boek een immens succes. Hoe komt dat? Ik waag een verklaring. In de tweede helft van de vorige eeuw heeft de orthodoxie in de godsdienst plaats gemaakt voor vrijzinnigheid. Dat werd en wordt, allicht, als een bevrijding ervaren. Maar het gaf ook veel onzekerheid. De zekerheid die de gelovige vroeger had dat hij, als een béétje fatsoenlijk geleefd had, in de hemel kwam en daar deel kreeg aan alle aangenaamheden des hemels, is er niet meer. Met het mysterie van de dood en wat misschien daarna komt, moet nu iedereen zelf klaarkomen. Dat kan niet meer op gezag van de dominee of de pastoor. En hoe willig de geest van velen ook mag zijn, het vlees is zwak, en velen zoeken in hun onzekerheid over het eventuele hierna gezag elders. En als reactie daarop bieden sommigen de wetenschap aan als betrouwbare en gezaghebbende instantie. Wetenschap is de gezaghebbende instantie bij uitstek in onze geseculariseerde samenleving ook voor vragen en onzekerheden over de dood en daaromtrent. En hoe zuiverder empirisch die wetenschap is, en hoe minder filosofie ze meeneemt, hoe meer gezag aan haar wordt toegekend. Maar over het hierna zwijgt deze wetenschap met gepaste eerbied – en terecht, want de kracht van deze wetenschap ligt nu juist in haar zwakheid dat ze over het hierna niets kan zeggen.

Comments are closed.