Vorige week woensdag waren enkele vierkante meters in onze stad bijna een uur lang veranderd in een stukje Rommeldam, de stad waarin en waaromheen de avonturen van Tom Poes en Heer Bommel zich afspelen. Het eeuwfeest van Bommel-creator Marten Toonder werd bij het aan hem gewijde monument op de markt gevierd. Manuel Kneepkens had een aantal mensen uitgenodigd om in een ‘Leesherdenking’ iets Bommel-Toonderiaans voor te dragen. Het waren Arie van der Ent (over Tom Poes), Jaap Bakker (over drs. Zielknijper), striptekenaar Martin Lodewijk (over Terpen Tijn ), Peter Bulthuis (over Markies de Canteclaer), Marjo Stenfert Kroese (over Geboortehuis Toonder op het Noordereiland), Gerard Peet (over Toonders haast verdrinken in de Heemraadsingel), Pepijn van den Nieuwendijk van de ARTOONISTEN, makers van het Marten Toonder-monument, Jana Beranova (2 Mei jarig!), verder nog Jan Booister, Peter Goedhart, Hein Meijers, Pieter van Oudheusden, Kees Vrijdagh, en ik. Ongeveer vijftig Rommeldammers hadden zich om het monument geschaard en luisterden.
Ik bracht de boodschap dat Toonder eigenlijk een groot mysticus was – een ingewijde in de geheimen van de esoterie. Dat was ik in de laatste jaren van zijn leven al begonnen te vermoeden; iedere keer dat ik na zijn dood iets van of over hem lees, wordt dat vermoeden sterker.
De bijeenkomst van vorige week woensdag gaf weer nieuwe steun aan dit vermoeden. Een uur lang zat ik comfortabel aan de voeten van Manuel Kneepkens op het bank-achtige onderste deel van het monument en voelde me elke minuut sterker in Rommeldam vertoeven. Het was haast een mystieke belevenis. Ik zag de sprekers van opzij en op hun rug, maar kon perfect verstaan wat ze zeiden. En, vooral: ik had perfect uitzicht op de gezichten van de toehoorders en dat uitzicht kreeg gaandeweg haast iets van een esoterische inwijding. Bij elke ademtocht nam ik iets in me op van die paar dozijn gezichten van mensen die aandachtig stonden te luisteren – het gezelschap voelde aan als een bijeenkomst unieke geestverwanten.
Elke spreker had een eigen verhaal. Het ene was nog subliemer Toonderiaans-geïnspireerd dan het andere. In elk verhaal herkenden wij allemaal elementen die we allemaal kennen uit de verhalen van Toonder, en het uniek-bijzondere van de eigen invulling van die spreker en onze eigen band met Heer Bommel, Tom Poes, en al die andere onvergetelijke figuren. Ieder toespraakje was authentiek, doorleefd en eigen gemaakt als je zelden of nooit hoort en wij herkenden elkaar in Toonder en waren een uur lang op een unieke manier met elkaar verbonden. De gezichten van die toehoorders straalden die grote herkenning terug in mijn gemoed. Telkens kwamen tijdens de bijeenkomst herinneringen en associaties bij mij boven aan de deels bekende inhoud van wat de sprekers vertelden. De werking daarvan vervloeide met het effect dat al die gezichtsuitdrukkingen op mij hadden.
Om dit stukje niet al te zweverig te maken haal ik voor mijn uitleg de notie van de ‘keuzeverwantschap’ erbij. Dat woord is in het Nederlands wel bekend maar niet gangbaar. Het is de vertaling van de titel van een roman van Goethe, ‘Die Wahlverwandtschaften’ (1809), Mensen lijken op elkaar en verschillen van elkaar; bloedverwanten kunnen sterk op elkaar lijken. Het kan voorkomen dat ze veel, deels geheime kenmerken met elkaar gemeen hebben.
Die gelijkenis, dat deelgenoot-zijn inzake geheime kenmerken kun je uit vrije wil aangaan met mensen met wie je niet bloedverwant bent. Dat kan heel bijzondere banden doen ontstaan. Het collectief lezers van Toonder is zo een groep ‘keuzeverwanten’. Zij die, zoals ik, in hun gemoed het inzicht meedragen dat Rotterdam op afstand de meest mystieke plaats van Nederland is, zijn binnen dit collectief Toonder-keuzeverwanten een speciale sub-categorie.
