INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 2. ‘Theo van Gogh leeft’

De titel van dit stukje is een beetje een provocatie. Theo van Gogh is wis en zeker op 2 november tien jaar geleden vermoord. Maar de geest van deze tijd herinnert ons er elke dag en, vooral, elke nacht aan dat gestorvenen voortleven. En inzake Theo van Gogh is elke provocatie toegestaan. Bovendien is er aanleiding om het zo provocatief te stellen. Muziekrecensent Roeland Hazendonk, jeugdvriend van Theo van Gogh, debuteert als theaterauteur met de monoloog ‘Van Gogh spreekt’. Porgy Franssen speelt Van Gogh. De voorstelling gaat woensdag in première in een regie van Gerardjan Rijnders.

Metaforisch

Lééft Van Gogh dus (nog of weer)? ‘Zolang er nog iemand is die nog aan je denkt, ben je nog niet dood,’ las ik ooit in een overlijdensadvertentie. ‘Nieuw leven in herinneringen’ staat op de grafsteen van een vrouw in de Algemene Begraafplaats Crooswijk. Wat bedoel ik als ik zeg ‘deze of gene overleden persoon leeft in de gedachten, de herinneringen van anderen’ of ‘deze of gene overledene leeft voort in anderen’? In deze voorbeelden wordt het woord ‘leven’ meer of minder metaforisch gebruikt. De overledene die in de advertentie herdacht wordt, de vrouw onder die grafsteen,Theo van Gogh zijn allemaal echt dood.

 

Perifere identiteit

Voortleven van overledenen in anderen is niet alleen beeldspraak. Het kan concreet fysiologisch worden opgevat. Om die gedachte concreet te maken heb ik een nieuw begrip nodig: perifere identiteit. Mijn ik-identiteit heeft twee dimensies. In de ene dimensie is mijn identiteit één-op-één gekoppeld aan mijn lichamelijkheid. Ze is met name verbonden met het zenuwstelsel. Voor zover ik mijn identiteit daaraan beleef, benoem ik die als mijn centrale identiteit. Deze centrale identiteit houdt op te bestaan zodra mijn eigen lichamelijkheid waarin ik geïncarneerd was, er niet meer is.

De andere dimensie van mijn identiteit bestaat onafhankelijk van mijn eigen lichamelijkheid. Die is verbonden met de cognitie en dus het zenuwstelsel van alle andere mensen die op een of andere manier weet van mij hebben. Die noem ik ‘perifere identiteit’. Die vergaat niet als ik dood ben, maar blijft na de dood van mijn individuele fysieke lichamelijkheid nog enige tijd bestaan. Dat is niet metaforisch bedoeld. Gedachten, het denkproces, herinneringen zijn reëel werkzame fenomenen.

 

Omstulpingsoefening

Om te illustreren ik hoe me kan voorstellen hoe het zal zijn als ik er niet meer ben en me niets meer kan voorstellen en me tegelijk voorstel dat ik in het bewustzijn van anderen leef, ontwerp ik een oefening. Ik nodig de lezer uit om mee te doen.

De oefening begint ermee dat ik in mijn verbeelding op de Noordpool sta; de lezer kijkt toe. Op de grond teken ik een cirkel om mijzelf. Vervolgens doe ik één stap buiten de cirkel. Daar teken ik een tweede, grotere cirkel, concentrisch met de eerste. Die heeft dus ook nog wel de Noordpool, maar niet meer mij zelf als middelpunt; ik sta er niet meer in, maar erbuiten. Ik doe opnieuw een stap opzij en teken opnieuw een concentrische cirkel. Zo ga ik door. De lezer stapt met mij mee. Telkens doen we één stap buiten de nieuwe cirkel die ik trek. Hoe loopt dit verder? Via steeds ruimere concentrische cirkels komen we steeds dichter bij de evenaar. Met de eerste stap voorbij de evenaar komt het grote ‘omstulpingsmoment’. Vanaf dat moment worden de concentrische cirkels die ik trek kleiner. Eerst merken we daar niets van, maar gaandeweg begint tot ons door te dringen dat we niet meer in de nieuwe concentrische cirkel staan, maar erbuiten. Het eindigt doordat we via de nu steeds kleiner wordende cirkels in de laatste stap die we kunnen doen niet op maar naast de Zuidpool staan. Het centrum is door mijn toedoen gaandeweg buiten mij zelf gekomen. Via die oefening kan ik mij een voorstelling maken hoe mijn perifere identiteit zou kunnen werken. Met elke nieuwe cirkel die ik trek komt in mijn verbeelding behalve de lezer ook een ons volgend medemens naast ons te staan. Gaandeweg word ik één met alle bewoners van de aarde. Of het echt ‘fysiek’ zo werkt, weet ik niet. De oefening is alleen bedoeld om te illustreren hoe ik me kan voorstellen dat het zou kunnen werken. Ik noem haar mijn ‘omstulpingsoefening’.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *