‘Is your language really yours?’ Een ondergewaardeerd probleem in Engelstalige opleidingen

De republiek der wetenschap is een land zonder grenzen. Haar inwoners, de beoefenaren van de wetenschap en hun leerlingen, communiceren in alle talen die zich laten denken.

Sinds de tweede helft van de vorige eeuw wordt één taal in toenemende mate dominant. Dat geeft problemen. Ze komen geregeld in de publiciteit – althans in Nederland; hoe het wat dit betreft in andere territoriën van de republiek gaat, weet ik niet.

Eén probleem krijgt niet de aandacht die het verdient. Het staat compact samengevat in de titel boven dit stukje. Die vraag is tevens de titel van hoofdstuk 6 van een boek van David Bellos onder de curieuze titel ‘Is That A Fish In Your Ear?’ (2011). De ondertitel geeft, niet erg bescheiden, aan waar het over gaat: Translation and the meaning of everything’.

Ik ben tegen dit boek aangelopen in het keuzeblok Toegepaste WetenschapsFilosofie dat ik aan de EUR geef voor derdejaars studenten psychologie. Vorig studiejaar meldden zich daarvoor vijf Exchange studenten: twee uit Canada, twee uit Turkije en een uit Thailand met academische thuisbasis in Singapore. Dat blok was uiteraard Engelstalig. Voor de rest ging het zoals het sinds 2004 in mijn keuzeblok in het Nederlands gaat. Dat is een variant van het Probleem Gestuurd Onderwijs met daarin, gegeven dat in filosofie de eigen interesses en meningen van studenten relevanter zijn dan in zogeheten vakwetenschappen, relatief veel aandacht en relatief veel vrijheid voor de studenten in de keuze en aanpak van problemen, hun keuze van literatuur en hun eigen woordkeus.

Als gevolg daarvan deed het probleem inzake Engelstaligheid zich relatief extra scherp voor. Al in de eerste bijeenkomst werd dat heel concreet duidelijk. Een van de twee Canadezen had een mini-presentatie voorbereid over een pakkend onderwerp, de anderen gingen daarop in, en na korte tijd ging dat fout. De beide Engelstalige native speakers begrepen elkaar helemaal op de manier waarop sprekers in een gemeenschappelijke moedertaal elkaar kunnen begrijpen, de Thai-Singaporese student kon prima meekomen, maar de beide Turken en ik strompelden er achteraan, en begrepen gaandeweg steeds minder waar het over ging. Ik moest dus ingrijpen. Ik moest make it happen, zoals het tegenwoordig heet. Als tutor en docent kon ik niet meer alleen gewoon meedoen. Ik moest zorgen dat het echt een goed gesprek werd tussen ons zessen.

Een perfect toeval leverde de start voor een oplossing. Ik ging de beide Canadezen in de officiële tweede taal van hun land vermanen om zó te spreken dat ook wij, met slechts steenkolen-engels begiftigde deelnemers aan het gesprek, hun interactie konden volgen en er in konden meedoen.

Het werkte. Weliswaar was hun kennis van het Frans ongeveer van het zelfde allooi als die van het Vlaams van een doorgefourneerde Wallon, maar de boodschap kwam over. En dat niet alleen: al gauw werden we geconfronteerd met een belangrijk, om niet te zeggen het essentiële probleem van ons Engelstalig onderwijs.

Voor de nadere precisering geeft Bellos een effectieve eerste probleemstelling [wat zou overigens de juiste, of op z’n minst een goede, althans bruikbare Engelse vertaling zijn voor ons begrip ‘probleemstelling’? Het woordenboek brengt mij niet veel verder. Definition of a problem, problem posing, problem definition – het komt op mij over als nogal clumsy, gekunsteld. Maar dit terzijde].

Ik citeer van blz. 195-196 van Bellos: Translators working into English are confronted on every page with decisions about the nature, scope, identity, and audience of the language they are writing. I write in a personal idiom that bears traces of my upbringing in England, my long stay in Scotland, and my present life on the East Coast of the United States. When I write a translation, however, I have to make choices in every paragraph about what variety of written English to use. … It drives me mad. How do I know what is “English” and what is something else?’ [onderstreping in dit citaat van mij, HV].

In een mix van vertaling en parafrasering voor eigen gebruik en met enkele wijzigingen en aanvullingen maak ik daar het volgende van.

Als tutor/docent in een Engelstalige PGO-groep word ik onafgebroken geconfronteerd met de noodzaak om besluiten te nemen aangaande de aard, draagwijdte, identiteit van de woorden die wij in de PGO-groep gebruiken. Zelf spreek ik, zoals iedereen doet, in een persoonlijk gekleurd idioom, dat in mijn geval in hoge mate meebepaald wordt doordat ik pas op het gymnasium Engels begon te leren en slechts één maal, intussen zestig jaar geleden, drie maanden in Engeland heb gewoond, terwijl Duits en en mindere mate Frans voor mij, als van afkomst halve Zwitser, bijna mijn tweede moedertaal zijn. Als gevolg daarvan moet ik, wanneer ik Engels moet spreken, in iedere zin die ik uitspreek keuzes maken over welke varianten van welke woorden ik zal gebruiken. Vooral in een setting als die van PGO is dat – beleef ik zelf dat althans als – een ernstige handicap. Dit alles maakt mij ernstig ongerust. Hoe weet ik hoe mijn ‘Engels’ overkomt op de studenten, die immers onderling zeer verschillen in hun proficiency in die taal? [Het ietwat kromme Nederlands in de vorige zinnen van deze alinea is een neveneffect van de tweetaligheid waarin ik al schrijvend slalom tussen het Engels van Bellos en mijn Nederlandse weergave van wat ik van hem leer.]

Uit deze eerste probleemstelling volgen enkele deel-problemen.

Het eerste dat zich aan mij voordoet, is dat men zich in de universiteit enerzijds terdege bewust is van het probleem, maar anderzijds – althans in mijn perceptie – nog niet voldoende besef heeft van de draagwijdte ervan. Veelal wordt het probleem aangevat door te stellen dat zich thans wereldwijd een scientific English ontwikkelt dat men in alle opzichten kan vergelijken met het Latijn als de lingua franca van de geleerden in de tijd van Erasmus. Maar zo werkt dat niet. In de tijd van Erasmus was al bijna duizend jaar Latijn voor geen enkel kind in de wereld meer de moedertaal, de native speech. In onze tijd is Engels voor circa 400 miljoen mensen de native speech en voor tussen de 800 en 1800 miljoen mensen een taal die zij bijna zo goed spreken als hun

moedertaal, ontleen ik aan Bellos. Gegeven dat in het algemeen de moedertaal een onvervangbare determinant is in de ontwikkeling van de mens, volgt hieruit dat in ieder cohort studenten waarin native-speech-engelstalige studenten meedoen bijna wetmatig een tweedeling zal optreden tussen de geboren en getogen Engelstaligen en hen die pas later Engels geleerd hebben.

Dat hoeft geen onoverkomelijk bezwaar te zijn – integendeel, het kan creatief gebruikt worden, maar er moet dan wel doelbewust aan gewerkt worden.

Een tweede probleem is dat in PGO-groepen met uitsluitend studenten die pas na hun kinderjaren Engels geleerd hebben ook, maar een ander soort segregatie optreedt. De vaardigheid van mensen om een tweede taal te leren en om die te spreken, hangt immers van verschillende factoren af. Eén factor is de eigen moedertaal. Die kan meer of minder verwant zijn met het Engels. Een andere factor is de omgeving waarin de student nu verkeert en waar nu de vreemde taal gesproken wordt. Een PGO-groep met enerzijds meerdere Nederlandstalige studenten en anderzijds

ongeveer even veel studenten met onderling verschillende moedertalen en navenant verschillende vaardigheden in het Engels zal anders werken dan een groep met slechts één Nederlandstalige resp. slechts één niet-Nederlandstalige student. Zo zijn talloze ‘(moeder)talige’ sociale configuraties denkbaar in de PGO-groepen, allemaal met hun eigen problemen.

Een derde probleem dat daar nog bij komt volgt uit het gegeven dat nagenoeg alle officiële leerstof sowieso in het Engels is. Alleen al in gewoon Nederlandstalig PGO wordt daardoor vaak de echte impact van een begrip of een theorie niet echt goed voor alle studenten duidelijk. Overigens komt dit laatste probleem in mijn ervaring vaker in de wandelgangen ter sprake dan in formele evaluaties. Het is aannemelijk dat dit probleem in Engelstalig PGO nog sterker zal spelen.

Ten slotte noem ik nog het argument dat in de tijdgeest van de 21e eeuw de taal steeds meer onderkend wordt als in hoge mate bepalend voor het mens-zijn ‘Taal is meer dan bloed’, stelde de Duits-Joodse filosoof Franz Rosenzweig (1886 – 1929). Over die stelling is discussie mogelijk – allicht. Belangrijker is, dat het dringend noodzakelijk is dat die discussie ook daadwerkelijk gevoerd gaat worden.

UNIVERSITAIRE VORMING

In de dagen waarin ik dit stukje schrijf begint in de Nederlandse politiek de campagne gevoerd te worden voor de verkiezingen van de Provinciale staten op 18 maart.

In de NRC van 17 januari schreef Marc Chavannes in dat verband over het beleid van het huidige kabinet: ‘Dat beleid verwart en vereenzelvigt politiek met een management- vraagstuk. … Dat inzicht kan moedeloosheid … aanwakkeren. Nuttiger is het als iedereen die betrokken is bij de publieke zaak gaat beseffen dat politiek is verworden tot bestuur.’ In wat Chavannes schrijft, herken ik een situatie die lijkt op wat ik bedoel. Ik parafraseer: in het beleid van de EUR inzake de Internationale Bachelor en Engelstalig onderwijs wordt mijns inziens onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds management en besturen en anderzijds reflectie op de core business van de universiteit met bijbehorende actie, de universitaire vorming.

Die universitaire vorming kwam op 24 januari via een andere ingang in de krant ter sprake in een redactioneel commentaar van Hendrik Spiering in het katern Wetenschap: ‘Wat is beter: begrijpen of verklaren? Vroeger werd daarover nog wel eens gevochten in de wetenschapsfilosofie. Vooral als het ging om menswetenschap. “Begrijpen”, dat is invoelen en empathie, zoals de oude romantische geleerden ooit deden. Het gaat om de menselijke maat. Begrijpen is Bildung. En ‘verklaren’, dat is het verbinden van feiten aan wetmatigheden. Ha! Natuurwetenschap! Meten is weten, grafieken liegen niet. Het is duidelijk wat steeds meer als Echte Wetenschap is gaan gelden. De Verklaarpartij wint. Begrijpers hebben al decennia de tijdgeest tegen zich.’

En Jan Kuitenbrouwer schreef 5 februari inspirerend over de nieuwe Griekse minister van Financiën, Yanis Varoufakis. Tijdens de persconferentie met Dijsselbloem sprak hij Grieks en de ophef over zijn uitspraken zou zijn veroorzaakt door een slechte vertaling, maar de ware taalbarrière die Varoufakis opwerpt, gaat dieper: ook in conceptuele zin wil hij zijn eigen taal spreken. Hij accepteert het gangbare vocabulaire van de eurocrisis niet.

Kortom, de linguistic turn die bijna een eeuw geleden in de filosofie in Oxford werd geproclameerd, is in tussen een heuse linguïstische revolutie geworden.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *