Schinkel en Tamminga en de creatieve variant van Jip-en-Janneke-taal

Een van de mooie dingen van de NRC Handelsblad is de rubriek van Schinkel en Tamminga over allerlei economische en aanverwante problemen. Die twee schrijven zó goed dat zelfs ik vaak ongeveer begrijp waar het over gaat.

En soms schrijven ze zó goed dat ik er om een andere reden hier iets over wil melden. Dinsdag was het weer prijs. Onder de titel ‘Wie is er bang voor Agnes en Henk?’ schreef Maarten Schinkel het volgende:

‘Naïef en onnozel. Zo noemde Han Noten het idee dat de bestuurscrisis binnen de FNV zich concentreert rond één man en één vrouw.
Noten, samen met Herman Wijffels als bemiddelaar opgetrommeld om de crisis op te lossen, had het over FNV-voorzitter Agnes Jongerius en FNV-Bondgenotenvoorman Henk van der Kolk. Het idee is nu om de FNV in wezen op te heffen, en in plaats daarvan een ‘nieuwe vakbeweging’ te maken, die gebaseerd is op een meer evenredige vertegenwoordiging van afzonderlijke beroepsgroepen.
Zo’n plan is zo oud als de wereld. In elke jongensclub, of het nu een sportteam is of een rockband, kan het gebeuren dat één van de deelnemers helemaal niet, of niet meer, blijkt te voldoen. Maar ja, hem vragen was makkelijk, maar hem lozen weer zo cru.
De meest perfide, maar ook meest omslachtige, oplossing is om gewoon een parallelle club of band te beginnen, waar de persoon in kwestie geheel toevallig géén deel van uitmaakt. Lafhartig? Zeker. Maar ook op het hoogste niveau gebeurt het. … ‘

Deze moraal werkt Schinkel een eindweegs uit, heel inzichtelijk en trefzeker, en dan, tegen het eind, komt waar het mij nu om gaat:

‘Le syndicat, c’est moi. Juist voor de vakbeweging is dat nogal wrang. Zij is per definitie ontstaan uit het collectief. De verhouding tussen de bonden binnen de FNV is inderdaad scheef. En er is sprake van onverzoenlijke posities op een lager niveau dan dat van de voorzitters en topbestuurders. Maar of daar nu een geheel nieuwe vakbeweging voor nodig is? Een peuter in een onhandelbare bui is het best rustig te krijgen met een opmerking als: „Maar ik zie het al, je sok zit ook helemaal niet goed.”
Huh? Een geheel ander onderwerp, een externe oorzaak. Peuter afgeleid en zelf ook blij dat hem een eervolle terugtocht wordt geboden. De sok van de FNV zat óók helemaal verkeerd.’

Dat is wat je in dezelfde taal als ‘Le syndicat, c’est moi’, de vakbond – dat ben ik, zou kunnen noemen ‘grande pédagogie’: mooie opvoedkunst.

Johan Cruijff is de grote goeroe van de eigentijdse esoterie

Interessant bericht, zojuist: ‘CDA wil Spies als opvolger Donner’.

 Ik vond het op mijn scherm toen ik mijn computer aanzette.

 ‘Toegevoegd: donderdag 8 dec 2011, 03:11 Update: donderdag 8 dec 2011, 06:33′ – dus lekker vers van de pers. De inhoud is adembenemend actueel.

 ‘De Zuid-Hollands gedeputeerde Liesbeth Spies is volgens ingewijden in Den Haag door het CDA gevraagd om minister van Binnenlandse Zaken te worden. Spies zou dan de opvolger worden van minister Donner, die naar verwachting volgende week vrijdag wordt benoemd tot vice-president van de Raad van State. Spies was Tweede Kamerlid voor het CDA van 2002 tot 2010. Ze was ruim drie jaar vice-fractievoorzitter. Na het toetreden van het CDA tot het minderheidskabinet met de VVD in oktober vorig jaar, was Spies korte tijd waarnemend voorzitter van de partij.’

Lees maar niet wat er staat – er staat niet wat er staat. In dit bericht staat in werkelijkheid zwart op wit wat ingewijden al lang wisten: Donner wordt het.

‘Het was de Franse staatsman Talleyrand die zei dat de ware politicus het onvermijdelijke in een vroeg stadium herkent, het niet al te zeer bestrijdt en het vervolgens bevordert. De Nederlandse politiek lijkt nu toe aan dat laatste stadium,’ citeer ik van de één (= voorpagina) van de krant van gisteren. Het CDA mag dan kwantitatief een splinterpartijtje zijn geworden – er zitten nog steeds geniale politici in.

De situatie in het CDA is een aardige weerspiegeling van die van het Vaticaan: na de onthullingen over het seksuele misbruik neemt geen wèldenkend mens de leer van de kerk nog serieus – maar tweeduizend jaar ervaring in de politiek die in een rigoureus hiërarchische ‘apostolische successie’ van de ene op de andere generatie is doorgegeven poets je niet zomaar weg. En zo wint het CDA voor Europa op alle fronten.

Maar wat moet onze voetballer nummer één nu in de kop van dit bericht, vraagt u natuurlijk. Ik citeer uit mijn ‘Blokboek’ Toegepaste WetenschapsFilosofie waar ik dezer dagen druk mee ben:

‘Esoterie’, afgeleid van ‘eso’ = in, binnen, betekent letterlijk, naar de letter genomen: ‘[alleen bestemd] voor ingewijden’. Wat ‘esoterie’ naar de geest betekent is per definitie niet in woorden te vatten want woorden zijn voor iedereen, niet alleen voor ingewijden. Maar een parabel kan duidelijk maken wat esoterie naar de geest is. De parabel wordt verteld in de openingsscène van een film over een beruchte goudsmokkelaar waarin de hele internationale politie-macht en alle douaniers en bewakers van alle luchthavens wereldwijd weten dat de hoofdpersoon grote hoeveelheden goud smokkelt. Maar ondanks minutieuze controle op elk vliegveld waar hij opstijgt en landt, vinden ze nooit iets. In het begin van de film staan twee douaniers op een vliegveld daarover met elkaar te praten terwijl de hoofdpersoon zich voorbereidt op zijn vertrek en met zijn gevolg en allerlei koffers en andere bagage in zijn privé-vliegtuig stap. De camera zoomt in op een knàlgele Rolls Royce die intussen in het vliegtuig wordt geladen – een onnatuurlijk gele auto … – en de film geeft de kijker nèt genoeg tijd om dóór te hebben wat hij ziet. Dat is dus het centrale motief van inwijding.

‘Hè?’ – ‘t is “het centrale motief van inwijding”?’ – Dàt. – ‘Wat …? – Lees nou maar wat Johan Cruijff zegt: ‘Je gaat het pas zien als je het dóór hebt’.

Wie het vatten kan, die vatte het, citeer ik een andere bekende historische figuur.

Volgens de NRC Handelsblad is Maxime Verhagen een soort Big Brother. Zouden ze op de redactie de roman ’1984′ van Orwell kennen?

In de NRC Handelsblad van vandaag, 6 december 2011, staat een hoofdartikel over hoe Maxime Verhagen in zijn hoedanigheid van minister van Buitenlandse Zaken in 2007 had voorgesteld om de inlichtingendienst AIVD of de beveiligingsdienst DKDB de gangen van de PVV-leider te laten nagaan. Het is, zoals we verwachten, een genuanceerd en goed onderbouwd commentaar. De conclusie luidt ‘Verhagen kreeg destijds in en buiten het kabinet niet zijn zin, omdat betrokken ministers en ambtenaren zijn verzoek afwezen. Maar dat een minister, die tegenwoordig bovendien vicepremier is, een geheime dienst wenst in te schakelen om een volksvertegenwoordiger te bespioneren, het geeft te denken.’

Dat is een evenwichtige conclusie.

De kop boven het artikel geeft mij echter óók te denken want die zit er volgens mij helemaal naast: ‘Big Brother Maxime Verhagen’, luidt die kop.

Hallo – Big Brother??

Ik heb het nu even niet over het schandalige misbruik van dit gruwel-icoon-begrip als min of meer synoniem voor ‘De Gouden Kooi’ waarmee John de Mol vanaf 1997 de wereldblits maakten – dat is een ander schandaal. Ik wil nu alleen zeggen dat de vergelijking tussen Maxime Verhagen en de hoofdpersoon van George Orwell’s ‘Nineteen Eighty-four’ de lezer op het verkeerde been zet.

Even een klein stukje reconstructie, helaas nodig omdat vrijwel niemand van onder de, pak weg vijftig jaar, die roman nog kent.

De roman ‘Nineteen Eighty-four’ (soms afgekort als ’1984′) van George Orwell verscheen in 1949. Het Hitler-regime was verslagen, maar in veel landen was het Sowjet-regime daarvoor in de plaats gekomen. ’1984′ verbeeldt de meest extreme variant van zulke regimes die zich in de meest gruwelijke verbeelding laat denken. Er is een absolute dictator, Big Brother, opperhoofd van de Partij, die via bewakingscamera’s alle bewoners in alle ruimten waar ze verblijven het hele etmaal dóór zo geraffineerd bespiedt, dat niemand meer enige privacy heeft. De taal, de cultuur, de geschiedenis – alles wordt door de overal aanwezige overheid omgesmeed tot de sociaal gewenste ideologie. Niets mag; alles is verboden. Niemand kan meer zelfstandig denken; iedereen heeft Big Brother lief.

Het verhaal in ’1984′ gaat over ene Winston die als een van de weinigen nog enig zelfstandig denkvermogen heeft. Hij krijgt een stiekeme relatie met ene Julia (die natuurlijk verkeerd afloopt, maar daar gaat het hier niet om). Julia heeft een realistische houding tegenover het regime van Big Brother. In de bedoelde passage in de roman wordt die houding trefzeker getypeerd in wat Winston zich realiseert wanneer hij met haar spreekt:

‘Talking to her, he realised how easy it was to present an appearance of orthodoxy while having no grasp whatever of what orthodoxy meant. In a way, the world-view of the Party imposed itself most successfully on people incapable of understanding it. They could be made to accept the most flagrant violations of reality, because they never fully grasped the enormity of what was demanded of them, and were not sufficiently interested in public events to notice what was happening. By lack of understanding they re­mained sane. They simply swallowed everything, and what they swallowed did them no harm, because it left no residue behind, just as a grain of corn will pass undigested through the body of a bird.

In mijn vertaling: Terwijl hij tot haar sprak, realiseerde hij zich hoe makkelijk het was om de schijn van othodox gelovige in de ideologie hoog te houden terwijl je in werkelijkheid geen idee hebt wat orthodoxie betekent. In zekere zin legde de ideologie van de Partij zich het meest succesvol op aan mensen die er niets van begrepen. Ze konden er toe gebracht worden de meest flagrante schendingen van de werkelijkheid te accepteren omdat ze nooit iets begrepen van de enormiteit van wat van hen geëist werd, en onvoldoende geïnteresseerd waren in wat in de wereld gebeurde om op te merken wat er in feite gebeurde. Alleen door onbegrip bleven ze mentaal intact. Ze slikten alles en wat ze slikten deed hun geen schade omdat er niets van in hen beklijfde, net zo als een maiskorrel onverteerd door het lichaam van een vogel gaat.

DAT is het thema van Big Brother: letterlijk ieder mens wordt zó totaal uitgehold dat hij Big Brother lief gaat krijgen.

De laatste alinea van de roman is de apotheose. ‘He [= Winston] gazed up at the enormous face. Forty years it had taken him to learn what kind of smile was hidden beneath the dark moustache. O cruel, needless misunderstanding! O stubborn, self-willed exile from the loving breast! Two gin-scented tears trickled down the sides of his nose. But it was all right, everything was all right, the struggle was finished. He had won the victory over himself He loved Big Brother.’

Wie dáár Verhagen in herkent, moet nog leren politieke commentaren te schrijven. Zou de koppenmaker van de NRC Handelsblad de roman ooit zelf gelezen hebben?

‘Wat u hier stelt is een zeer goed argument. Maar met dit oordeel zeg ik niet ik het met u eens ben’

Wat in de titel staat, hoorde ik omstreeks 1970 de legendarische hoogleraar rechtsfilosofie Arend van Haersolte [Faculteit der Rechtsgeleerdheid, toenmalige NEH (= Nederlandse Economische Hogeschool), nu EUR] eens opmerken.

Het was een belangrijk leermoment voor mij in mijn (zelf)studie van de wijsbegeerte. De herinnering eraan kwam bij me boven toen ik onderstaand betoog van Bas Heijne in de krant van zaterdag las. Het gaat over een onderwerp dat mij totaal koud laat, maar Heijne is er kennelijk juist heel warm bij betrokken en maakt zich zeer boos en – en hier gaat het mij om – geeft een argumentatief even helder als krachtig, mij weliswaar zéér aansprekend maar evenzeer niet overtuigend betoog.

De schoolmeester in mij vindt het aardig dit aan mijn lezers voor te leggen en u uit te nodigen bij u zelf te ‘proeven’ of u mijn lijn resp. die van Heijne kunt en wilt volgen.

Hier komt het hele stuk van Heijne:

Schandaal

Bas Heijne | pagina 2 – 3
U lag er niet wakker van, maar afgelopen week is besloten het museumgoudA niet te royeren als lid van de Nederlandse Museumvereniging. Het museum had het schilderij The Schoolboys van Marlene Dumas uit de collectie op eigen houtje voor een kleine miljoen euro laten veilen bij Christie’s, naar eigen zeggen om een faillissement af te wenden. Alle regels waren met voeten getreden, het schilderij had eerst aan andere Nederlandse musea moeten worden aangeboden. De museumwereld sprak er schande van en eiste sancties. De voorzitter van de vereniging liet weten dat het hier om een principekwestie ging: „De leden vinden principieel dat een museum nooit collectiestukken mag verkopen om de financiële nood te lenigen. Zeker in tijden van bezuinigingen, waarin musea onder druk staan, in het belangrijk dit principe te onderstrepen.”
Dat was in september.
Maar nu leven we twee maanden later – en bovendien in Nederland. Afgelopen week stemde een ruime meerderheid van de musea tegen een royement. De huidige voorzitter van de Museumvereniging ziet in de ommezwaai enkel standvastigheid: „Vandaag is geconstateerd dat de eenheid bewaard moet blijven. De rijen hebben zich gesloten.” Heeft de lukrake verkoop van het topstuk dan helemaal geen gevolgen? Jawel, wat dacht je. De musea gaan gezamenlijk eens goed naar de bestaande regels kijken. „We staan achter het beheer en behoud van de collecties.”
Principes in Nederland – we staan er pal voor, totdat ze consequenties dreigen te krijgen. Je zag dat al aan de protesten tegen de radicale bezuinigingen op cultuur. Deze zomer stond niets minder dan de beschaving op het spel, de kunstwereld moest een gesloten front vormen. Een paar maanden later duwt men elkaar opzij om bij Halbe Zijlstra op schoot te mogen.
Ook de Goudse cultuurwethouder, Daphne Bergman, heeft principes. Voor de beslissende vergadering van de Museumvereniging, publiceerde ze een apologie in de Volkskrant. Waarom had zij ingestemd met de lukrake verkoop van The Schoolboys? Simpel: omdat het schilderij niks met Gouda te maken had.
Huh? De wethouder legt uit. MuseumgoudA heeft zich geprofileerd als een museum voor hedendaagse kunst (vandaar die krankzinnige naam). Dat is mooi, maar het ging ten koste van een „scherp profiel”. Omdat profiel scherp te krijgen gaat het museum zich „de komende jaren presenteren als het geheugen van Gouda en dé plek voor wie de geschiedenis en kunst van Gouda wil ontdekken en beleven. Als wethouder steun ik deze keuze.”
Wat zijn de gevolgen van die keuze? Bergman: „Consequentie is dat moderne kunst die geen directe relatie heeft met Gouda, wordt afgestoten. Dat is een breuk met de koers van de afgelopen jaren. En dat doet pijn.”
Welnee, dat doet helemaal geen pijn. Dat is een Blekeriaanse manoeuvre: zeggen dat je er zelf echt de pest over in hebt, dat het geen schoonheidsprijs verdient en dat je, dat mag u best weten, er slapeloze nachten van hebt gehad – de nieuwe mantra van bestuurders die gewoon hun schaamteloze gang willen gaan. Deze wethouder van de kosmopolitische partij D66 stemt in met de illegale verkoop van een topstuk uit haar museum omdat het niet provinciaals genoeg is. Het schilderij van Dumas is voorgoed uit Gouda verdwenen – dat doet pijn – maar het museumgoudA krijgt er wel een scherp profiel door. De collectie Goudse kleipijpen kan volledig intact blijven.
Het was dus helemaal geen noodgreep. Het was gewoon beleid.
De affaire rond de stiekeme verkoop van het schilderij legt iets onverkwikkelijks in de Hollandse bestuurscultuur bloot. De directeur van het museum, Gerard de Kleijn, die alle regels faliekant negeerde omdat hij ze „achterhaald” vond, mag blijven zitten. Zijn museum mag ongestraft blijven genieten van de voordelen van het lidmaatschap van de Museumvereniging. De vereniging heeft „de rijen gesloten”. Wethouder Bergman werkt stug door aan haar scherpe profiel.
Alleen het schilderij van Dumas zien we nooit meer terug. Dat is meer dan wanbeleid. Het is een schandaal.

Zullen de beelden van het seksueel kindermisbruik door zedenverdachte Robert M in het openbaar vertoond worden?

De officier van justitie in de zaak tegen zedenverdachte Robert M wil in de rechtszaal een compilatie tonen van beelden van een jongen en een meisje die het misbruik door de verdachte gelaten ondergaan en van een jongen en een meisje die zich verzetten. De advocaten van Robert M. vinden het tonen van de beelden niet nodig omdat ze „minutieus en treffend” beschreven zijn in het dossier.

Daarover communiceerden wij gisteren hier met elkaar. Ik zet de discussie nog wat scherper aan.

Voor minutieuze en treffende beschrijvingen van lichamelijke kenmerken en handelingen worden Nobel-prijzen literatuur toegekend. Een voorbeeld is Claude Simon (1913 – 2005; Nobelprijs 1985). Lees de aanhef van zijn roman ‘Georgica’ (1981):

‘Het tafereel is als volgt: in een vertrek van zeer grote afmetingen zit een figuur achter een bureau, een van zijn benen halfonder zijn stoel opgetrokken, de hiel omhoog, de voet recht naar voren en plat op de grond, zodat het scheenbeen een hoek van ongeveer vijfenveertig graden met de horizontaal geplaatste dij vormt, de beide armen op de rand van het bureau gesteund, terwijl de handen daarboven een blad papier (een brief?) vasthouden waarop de ogen strak gericht zijn. De figuur is naakt. Hoewel hij reeds de middelbare leeftijd bereikt heeft, getuige de pafferigheid van zijn gezicht met de grove trekken, de geprononceerde hangwangen, heeft ongetwijfeld; de regelmatige uitvoering van lichamelijke oefeningen, zoals bij zekere beoefenaars van de paardesport of bij sommige militairen, het lichaam een krachtig spierstelsel doen behouden,waarvan men, ondanks zijn zwaarlijvigheid, onder de vetlaag de vooruitspringende delen kan volgen, terwijl de plooien van de buik zelf trapsgewijs boven elkaar liggen, machtig, als bij die oude worstelaars wier gewicht hun kracht niet hindert, maar die zelfs nog verhoogt. Een tweede figuur, jonger, eveneens naakt, staat aan de andere kant van het bureau, in de klassieke` houding van de rustende atleet, waarbij het gewicht van het lichaam op het linkerbeen steunt, de rechterarm langs het lichaam hangt, en de opgetrokken linkerarm tegen de borst een rechthoekig stuk karton drukt waaromheen de hand zich zojuist gesloten heeft. Ook bij hem heeft een voortdurende uitvoering van lichamelijke oefeningen een krachtig spierstelsel ontwikkeld, dat voorlopig nog zonder gebreken is. Men ziet dej biceps van de opgetrokken arm zwellen. De tors, waarvan de borst- en buikspieren zich fors aftekenen, doet denken aan die borststukken van kunstzinnig gevormde Romeinse harnassen … ‘ en zo voort.

In een gedachtenexperiment zoek ik in mijn rol van amateur freelance journalist Robert M in de gevangenis op en stel hem voor dat wij samen zijn autobiografie schrijven.

Ik heb goede argumenten waarmee ik hem kan uitleggen wat ik wil en hoe reëel ik de kans acht dat ons co-product een succes wordt.

Een deel van die argumenten wordt mij aangereikt in het artikel van Joost van der Vaart over de Duitse top-politicus Karl-Theodor zu Guttenberg uit de krant van 25 november. Zu Guttenberg moest een paar maanden geleden overladen met hoon aftaaien omdat hij als plagiator was ontmaskerd, maar blijkt nu de huidige tijdgeest goed te doorzien. Ik knip en plak:

‘En daar is hij weer: Karl-Theodor zu Guttenberg, wonderkind en total loss van de Duitse politiek. De oud-minister van Defensie, tevens geruchtmakend plagiator, meldt zich in een interview in weekblad Die Zeit terug op het nationale podium. Hij sluit een terugkeer in de politiek niet uit, krap negen maanden na zijn turbulente aftreden. … Uit peilingen bleek steevast dat Zu Guttenberg de populairste politicus van Duitsland was … . Maar op het hoogtepunt van zijn kortstondige roem kwam hij ten val. Bij het schrijven van zijn dissertatie bleek Zu Guttenberg op ruime schaal te hebben geplagieerd. Binnen enkele weken was zijn politieke carrière roemloos beëindigd. De schande was groot, ook voor zijn trotse familie. Opgejaagd door de pers weken de Guttenbergs uit naar Amerika. Daar kwamen ze tot rust; daar kon Karl-Theodor zich een nieuw imago en ander uiterlijk aanmeten. En daar kon hij zich door de hoofdredacteur van Die Zeit, Giovanni di Lorenzo, uitgebreid laten interviewen…. Voor Zu Guttenberg staat vast dat hij ooit weer naar Duitsland gaat. „Duitsland is mijn Heimat.” Een terugkeer in de politiek hoort tot de mogelijkheden. … In de huidige politiek, meent Zu Guttenberg, is gebrek „aan karakters die bereid zijn om voor de inhoud te vechten en die niet meteen de zeilen strijken als het een keer hard waait.” Een terugkeer van Zu Guttenberg zou de Duitse politiek met het oog op de Bondsdagverkiezingen van 2013 een interessante impuls geven. … Het interview met Karl-Theodor zu Guttenberg verschijnt volgende week in boekvorm. Vorerst gescheitert (vooralsnog mislukt) heet het bandje. Nu al staat vast dat het een bestseller wordt.’

Tot zover Joost van der Vaart.

Mijn argumenten dat Robert M materiaal voor een bestseller in zijn levensloop heeft krijgen steun in het betoog in het artikel onder de titel ‘We moeten goed zingen en schrijven, of juist heel slecht’ in de krant van 12 november. Regel één van de huidige tijdgeest is: val op, word een ster in de media. Hoe je dat doet en met wat is totaal irrelevant, aldus de strekking van dit artikel kort samengevat.

Mijn argumenten zijn natuurlijk onversneden demagogisch – maar wie is is hier begonnen? Ik zoek mijn rechtvaardiging in het argument van de piloten van de Engelse bommenwerpers op Hamburg, Dresden, Berlijn: ‘They started the game’.

Een eigentijdse formulering van dit rechtvaardigings-argument geeft Folkert Jensma in zijn commentaar ‘Voor de PVV is de rechtsstaat maar lastig’ in de krant van gisteren. Ik citeer weer:

‘Voor wie De Schijn-Élite van de Valse Munters van Kamerlid Martin Bosma (PVV) heeft proberen te lezen, hoefde het geen verrassing te zijn. Een van zijn fractiegenoten, Richard de Mos, stelde deze week in De Telegraaf voor om het internationale hoofdkwartier van Greenpeace „het land uit te zetten”. De milieuorganisatie zou de reputatie van Nederland aantasten. Dit past naadloos in het goed-foutschema waarin de beweging van Geert Wilders andersdenkenden plaatst. Wie onwelgevallige meningen heeft, moet worden ontslagen, uitgezet of ten minste worden ontdaan van eventuele subsidie. Een pluriforme, vrije samenleving, gebaseerd op de rule of law, gelijkheid, respect, vrijheid, debat en compromis is door de PVV niet gewenst. Zie ook het à la carte meeregeren – loyaliteit tot op de hoek. Daarna is het vrij schieten. Een rechtsstaat met burgers die ook anders denken, is lastig voor de PVV.’

Tot zover Folkert Jensma over de PVV.

Ik redeneer precies zo als hij in zijn analyse de PVV laat redeneren – alleen diametraal omgekeerd.

Zelf deel ik de conclusie van Jensma: ‘ … dat de dagelijkse schending van rechtsstatelijke beginselen niet meer schokken – dat het stil blijft, dat media zich voegen, partijen niet opponeren, maar hun schouders ophalen of soms meezeilen in de vuile wind – dat is niet te verteren.’

Maar als freelancer voor Robert M die in een verhaal over zijn levensloop superzaken ruikt heb ik even geen boodschap aan beginselen.

A la guerre comme à la guerre; when in Rome, do as Rome does; ‘s lands wijs, ‘s lands eer. Zó zijn tegenwoordig onze manieren.

Als Robert M met mijn stiekeme hulp echt goed, net zo ‘minutieus en treffend’ opschrijft wat hij gedaan heeft als het kennelijk in zijn juridische dossier staat, wordt ons boek vast een bestseller. Bij de promotie ervan kunnen dan de beelden die de officier van justitie in de rechtszaal wil vertonen bij opbod aan een televisiezender worden verhuurd.

Twee bijzonderheden in het verslag van rechtbankzitting over over zedenverdachte Robert M. roepen vragen op

Zo stond het gisteren in de krant:

‘Zedenverdachte Robert M. is pedofiel en lijdt aan hyperseksualiteit. Hij heeft narcistische trekken en is verminderd toerekeningsvatbaar. Het Pieter Baan Centrum adviseert hem tbs met dwangverpleging op te leggen omdat de kans op herhaling groot wordt geacht. … M. … wordt vervolgd voor 80 ontuchtige handelingen bij 67 kinderen, van wie 52 jongens en 15 meisjes. … . Van het misbruik van 32 kinderen is beeldmateriaal gevonden. … Het Openbaar Ministerie wil dat de rechtbank een compilatie van kinderpornobeelden bekijkt, in een besloten zitting. Volgens officier van justitie Maaike Bienfait heeft het bekijken en beluisteren van het misbruik „een toegevoegde waarde voor [...] het beoordelen van de ernst van de zaak”. Zij wil een compilatie tonen van beelden van een jongen en een meisje die het misbruik gelaten ondergaan en van een jongen en meisje die zich verzetten. Ook willen ze beelden tonen van gevallen van misbruik waarin M. penetratie ontkent maar dit volgens het OM wel bewijsbaar is. De advocaten van Robert M. vinden het tonen van de beelden niet nodig omdat ze „minutieus en treffend” beschreven zijn in het dossier.

Het argument van de ‘toegevoegde waarde’ en de woordkeus ‘minutieus en treffend’ in de reactie van de advocaten verdienen commentaar.

Heel algemeen zijn kennis en begrip een zaak van woorden en beelden in wisselwerking met elkaar. Beelden onderscheiden we in verschillende categorieën. We kunnen dingen in levenden lijve zien, we kunnen films en andere met technische middelen geregistreerde beelden zien en we zien virtuele beelden in onze persoonlijke binnenwereld.

Evenzo zijn er verschillende categorieën woorden. Ze kunnen bijvoorbeeld heel exact, minutieus en treffend zijn en vooral bijdragen tot beter begrip, maar ze kunnen bedoeld zijn om een gevoel op te roepen dat we intuïtief trefzeker herkennen maar dat zich niet exact in woorden laat weergeven.

Ik illustreer deze korte algemene uitleg aan drie voorbeelden.

(1) In het voorjaar van 1945 dwongen de Amerikaanse bevrijders in Duitsland, als ik me goed herinner in Dachau, de plaatselijke bewoners om ‘live’ te komen kijken naar wat nog te zien was was van wat in het concentratiekamp in hun directe omgeving had afgespeeld. Over wat die Duitsers toen zagen en hoe ze erop reageerden bestaan indrukwekkende documentaire filmbeelden.

(2) Het medium film was tot 1927 geluidloos. Met de introductie van de geluidsfilm kreeg het medium van de bewegende beelden een nieuwe dimensie. Gesproken woord en beeld gingen ‘samenwerken’ als de twee muren van een gothische kathedraal.

(3) Inzake de wisselwerking tussen beelden en woorden gaan wetenschap en kunst, onderwijs en retorica, voorlichting en demagogie vloeiend in elkaar over. Neem de volgende zin uit een roman over een man die toenadering zoekt tot een naïef meisje. ‘Zijn glimlach lag op zijn gezicht als de eerste kras op je nieuwe auto’. Dat is gruwelijk. Met zo iemand willen we niets te maken hebben. Maar over het precieze hoe en wat en waarom we niets te maken willen hebben met iemand die zó getypeerd wordt, zegt deze beeldspraak niets. Als beeldspraak is hij treffend. Als uitleg voor rationeel begrip is hij het tegendeel van minutieus.

Met deze algemene voorbeelden meen ik de specifieke ‘toegevoegde waarde’ van vertoning van de bedoelde beelden voldoende onderbouwd te hebben.

Met hun oordeel dat ‘de beelden niet nodig (zijn) omdat ze „minutieus en treffend” beschreven zijn in het dossier’ introduceren de advocaten een nieuwe dimensie in het dossier over seksueel kindermisbruik: de theoretische kinderpornografie. Inhoud en strekking daarvan laat zich niet adequaat in alleen woorden weergeven.

De tijd is rijp voor een Albert Heijn Universiteit – Ben ik nou de enige die een gat in de mark ziet?

In 1973 werd de Erasmus Universiteit Rotterdam opgericht. Het was de eerste keer dat in Nederland een instelling voor wetenschappelijk onderwijs naar een persoon werd vernoemd. De naam is wereldwijd een succesnummer geworden.

Gisteren stond in de NRC H iets dat zou kunnen bevorderen dat we hier een tweede universiteit krijgen die naar een grote inspirator is vernoemd. Onder de titel ‘Uw studie is helaas volgeboekt’ schreef de redactie in een hoofdartikel:

‘Ouders en scholieren opgelet. Vanaf 2013 is het aantal studieplaatsen voor rechten, psychologie en bedrijfseconomie op álle universiteiten ingeperkt. De eindexamenklas van 2013 merkt dat als eerste. Nu is er al een zogeheten numerus fixus bij een aantal opleidingen. Maar wie zich daar te laat inschreef, kon altijd nog elders terecht. Aangezien opleidingen worden gefinancierd per aantallen ingeschreven studenten, was het capaciteitstekort van de ene opleiding aldus het brood van de ander. Kwaliteitsverschillen werden onderling ook niet afgerekend. Noch zichtbaar.

Die mogelijkheid om zich elders makkelijk in te schrijven vervalt nu. Wie in 2013 te laat is of na een eventueel ‘intakegesprek’ geweigerd wordt, vangt straks bot bij alle faculteiten in Nederland. Althans bij deze drie massastudierichtingen waarvoor de belangstelling steeds maar toeneemt. Dat de universiteiten nu voor het eerst onderling één lijn weten te trekken bij een aantal populaire studies is een grote stap. Deze maatregel komt bovendien niet uit Den Haag, maar is door de instellingen zelf afgesproken. Die nemen daarmee ook verantwoordelijkheid. Niet alleen voor de kwaliteit van het eigen onderwijs, maar voor het landelijk aanbod.’

Tot zover hoofdartikel NRC H. Ben ik nou de enige die hier een gat in de mark ziet?

Een van de weinige Heilige Huizen waarin wij in Nederland allemaal oprecht devoot geloven, is de zogeheten ‘kenniseconomie’. Ik citeer uit Wikipedia:

‘Kenniseconomie (ook wel informatiemaatschappij) is een vrij abstract begrip uit de economie waarmee wordt bedoeld dat een significant deel van de economische groei in de samenleving voortkomt uit (technische) kennis. Het is een maatschappij waarin de productiefactor kennis een steeds belangrijkere plaats in neemt ten opzichte van arbeid, natuur en kapitaal (de drie traditionele productiefactoren). Dit past binnen de algemene verschuiving van arbeid in de landbouw via industrie naar diensten. Door het toepassen van kennis is innovatie mogelijk, die op zijn beurt weer leidt tot nieuwe producten of diensten en daarmee economische groei mogelijk maakt. Een van de speerpunten van de Europese Unie, en daarmee ook van Nederland en België, is om Europa in 2010 de meest kennisintensieve economie van de wereld te laten zijn. Dit is in 2000 vastgelegd in de Strategie van Lissabon. [bewerken] Nederlandse context. Kennis en creativiteit spelen een steeds belangrijkere rol in de kennis-economie. Scholing en opleiding bepalen de kansen die mensen hebben om vooruit te komen in deze wereld. Landen die voldoende talent weten voort te brengen en aan te trekken blijven overeind in de mondiale concurrentie. Bètatechnisch talent wordt een bijzondere rol toegedicht. Techniek en wetenschap vormen in Nederland niet een vanzelfsprekend onderdeel van de algemene ontwikkeling. Er is sinds de jaren zestig sprake van een sterke oriëntatie op alfa en gamma.’

Een béétje grootgrutter [populaire nickname voor Albert Heijn, ontleend aan kruidenier Grootgrut van Marten Toonder] ruikt hier toch de mogelijkheid tot superzaken?

En onderschat niet de vertrouwdheid van de oprichter van de Zaandamse winkelketen met de wetenschap. Daar heb ik letterlijk dagelijks van zeer nabij mee te maken.

Ik woon op enkele meters van een supermarkt, midden in de wijk Kralingen. Die was er lang voordat wij hier kwamen wonen en heette eerst Koopcentrum Den Toom.

In de zomer van 2005 ging Den Toom ter ziele en reïncarneerde enige tijd later als een filiaal van Albert Hein. Dat was nieuws van wereldformaat in Kralingen, en ik was vereerd dat ik toen een bescheiden stukje mocht meeblazen in de fanfares die deswege toen in onze wijk weerklonken.

En ik had ook een mooi onderwerp. Het was me aangereikt in een zinnetje in het artikel ‘Koopcentrum Den Toom wordt Albert Heijn’ in ons wijkgebladerte De Ster van 28 juni 2005. ‘Om Koopcentrum Den Toom te beleveren, reed over de Eerste Jerichostraat [de achterkant van de supermarkt] altijd veel vrachtverkeer’, schreef de redactie. ‘De omwonenden en de deelgemeente vroegen al geruime tijd om een oplossing voor dit logistieke probleem. … Door Koopcentrum Den Toom om te bouwen tot een moderne Albert Heijn-supermarkt worden in een keer alle problemen grondig aangepakt’.

Dat bleek nu eens geen marketing-geïnspireerde grootgruttersgrootspraak, maar een onderbouwde aankondiging van een serieus voornemen dat nog geslaagd is ook. ‘Voor de belevering van de Albert Heijn-winkel zullen er aanzienlijk minder vrachtwagens over de Eerste Jerichostraat rijden dan nu het geval is’, stond ook in het Ster-artikel. ‘Dank zij een vernuftig logistiek systeem … (zullen) maar enkele transporten per dag nodig zijn’.

‘ … een vernuftig logistiek systeem … ‘: dat ruikt naar wetenschap.

Ik herinnerde me toen een bericht en daarop volgende commentaren die ik een jaar of twintig geleden in de krant las. Ik vertel het verhaal hier uit mijn herinnering, maar ik ben redelijk zeker dat ik strekking goed weergeef.

Het bericht was dat de heer Albert Heijn – en ik bedoel dus niet de supermarktketen maar de persoon die zijn naam daaraan gegeven heeft – een eredoctoraat had gekregen van de Universiteit Nijenrode. Dat schoot in het verkeerde keelgat van prof. dr. Piet Vroon. Dat was destijds – hij is in 1998 overleden – een bekende psycholoog. Hij had vooral een bijzonder talent om allerlei wetenswaardigheden uit zijn vakgebied (dat hij uitzonderlijk ruim opvatte) zó te presenteren dat het velen aansprak. Ik was goed bevriend met hem, weet uit directe ervaring dat hij niet arrogant was; maar ook dat hij wel obstinaat was. Piet Vroon vond de heer Heijn geen wetenschapsmens, Nijenrode vond hij niet een instelling die zich ‘universiteit’ mag noemen, en de toekenning van dit eredoctoraat vond hij zó een belediging voor het idee van de Universiteit dat hij in Utrecht een grimmig-quasi-ludieke happening organiseerde waar hij zijn eigen doctorsbul inleverde. Als iemand van het allooi van de heer Albert Heijn zich in Nederland ‘doctor’ mag noemen, wil ik mij niet meer met die titel tooien – zoiets verkondigde hij met veel aplomb, en ging verder als ‘doctoraris’ door het leven.

Piet was destijds zó bekend dat zijn ‘act’ veel publiciteit kreeg. Maar zoals hem ook vaker overkwam, kreeg hij ook kritiek. ‘Bedrijfskunde is echt wetenschap, wat Piet Vroon ook mag beweren, en eredoctoraten worden nu juist verleend aan mensen die zelf geen professioneel wetenschapper zijn, maar die van buitenaf wel een bijdrage aan een deel van de wetenschap hebben gegeven dat een bijzondere eervolle beloning verdient’, aldus deze kritiek, ‘en dr. Heijn heeft deze lauweren echt verdiend door het logistieke systeem dat hij uitgedokterd heeft. Aan technische universiteiten krijgen professionals voor zulk werk een gewoon doctoraat’.

Ik weet te weinig van dr. Heijn, van bedrijfskunde en van Nijenrode om er iets over te kunnen zeggen. Onder het motto ‘waar olifanten vechten, moet de mier zich afzijdig houden’ matig ik mij daarom geen oordeel aan over deze controverse. Maar we hebben hier sinds herfst 2005 echt minder last van het vrachtverkeer in de Eerste Jerichostraat, en af en toe probeer ik mijn goede vriend Piet in het hiertussenmaals te overtuigen van het ongelijk dat hij in elk geval in déze rel destijds had.

Nazaten van dr. Albert Heijn – pak de uitdaging op die nu voor u ligt! Uitbreiding van uw assortiment in de vorm van een nieuwe universiteit valt echt buiten de horizon van uw nieuwe concurrent Jumbo / C 1000 en er is vraag naar!

Het hoofdartikel van de NRC Handelsblad reikt me een canvas aan voor een beschouwinkje over wetenschappelijke revoluties

‘In films is een revolutie vaak een overzichtelijk proces.’

Met die zin opende gisteren het hoofdartikel van de krant. Het artikel is een prachtige samenvatting van de actuele situatie.

Ik gebruik die voor een klein commentaar over wetenschappelijke revoluties in het algemeen en die van nu in het bijzonder. Daartoe copieer ik eerst een deel van het hoofdartikel.

‘In talloze scenario’s, die veelal in Hollywood zijn geconcipieerd, is sprake van waarachtig massaprotest, harde repressie, politieke chicanes, tegenslag, moedig leiderschap en wat niet al,’ gaat het na de eerste zin die ik citeerde verder.

‘Waarna het goede wint met een feeëriek volksfeest. Zo wordt een beeld gecreëerd dat een revolutie een proces is dat wordt afgerond als ware het ‘t doorknippen van een lint.

Maar zo gaat het niet. Ook al zijn er algemene patronen herkenbaar, elke omwenteling heeft zijn eigen karakter en nooit verloopt ze volgens schema. De zogeheten ‘Arabische lente’ illustreert dat. De overeenkomst tussen bijvoorbeeld Tunesië, Egypte, Libië, Jemen, Bahrein en Syrië is het sociale volksprotest, waarmee het begon. Bijna overal is de sociale crisis de aanjager geweest voor de politieke eisen van de burgers.

Maar intussen verloopt het politieke proces overal anders. In Tunesië is voor het eerst een nieuwe volksvertegenwoordiging bijeengekomen. In Jemen lijkt de slotscène van president Saleh aangebroken. In Syrië begint de binnenlandse strijd tussen het regime van Assad en zijn tegenstanders het karakter van een burgeroorlog te krijgen. Waar in Bahrein het soennitische bewind toegeeft buitensporig geweld te hebben gebruikt tegen shi’tische betogers, dreigt in Libië nog altijd wraak en versnippering.

Net als begin dit jaar, toen de straatrevoltes in de Arabische landen begonnen, is Egypte een sleutelland. … ‘ en dan komt een ietwat ‘technische’ uitweiding over Egypte die ik niet nodig heb.

‘Europa en Amerika moeten de hulp nu … niet staken maar juist herijken in de richting van …’ , eindigt het artikel.

Ik maak daar voor mijn doel van:

‘In de academische leerboeken is een revolutie, voor zover die al ter sprake komt, altijd een overzichtelijk proces. In talloze scenario’s, die meestal in de leidende academische centra, vroeger vooral in Duitstalige landen, tegenwoordig meestal Amerika zijn geconcipieerd, is sprake van waarachtige nieuwe inzichten die vaak zo ongehoord nieuw zijn dat massaprotest van de gevestigde wetenschappers komt, met als gevolg meer of minder fluwelen repressie, achterbakse politiek-achtige chicanes, tegenslag, moedig leiderschap van de avant garde en wat niet al. Waarna het goede wint met een feeërieke promotie of andersoortige plechtige bijeenkomst, soms na kortere of langere tijd gevolgd door de Nobel-prijs. Zo wordt een beeld gecreëerd dat een revolutie een proces is dat wordt afgerond als ware het ‘t doorknippen van een lint.

Maar zo gaat het niet. Ook al zijn er algemene patronen herkenbaar, elke omwenteling heeft zijn eigen karakter en nooit verloopt ze volgens schema.

De zogeheten ‘complementaire geneeskunde’ illustreert dat.

De overeenkomst tussen bijvoorbeeld de antroposofische geneeskunde, de acupunctuur, de homeopathie, de natuurgeneeswijze, de paranormale geneeskunde is het meer of minder vage onbehagen bij patiënten, waarmee het in sommige gevallen maar niet altijd begon. Bijna overal is onbehagen over wat de reguliere geneeskunde doet en nalaat de aanjager geweest voor de eisen van de patiënten.

Maar intussen verloopt het feitelijke proces overal anders [en nu stap ik over van de geneeskunde naar wetenschap in het algemeen].

In de astronomie en de chemie is het tussen eind van de Middeleeuwen en omstreeks 1800 THEORETISCH ongeveer zo gegaan als ik het samenvatte. In de praktijk kwamen er brandstapels en de guillotine aan te pas. Tegenwoordig is die benadering ouderwets en wordt zij niet meer gevolgd.

In de psychologie lijkt de slotscène van het oude behavioristische paradigma aangebroken. In de sociale wetenschappen, met name de politicologie en de criminologie begint de binnen-wetenschappelijk strijd tussen het regime van de harde bouten-en-moeren-ideologen en zijn tegenstanders nog net niet het karakter van een burgeroorlog te krijgen maar dat komt alleen doordat de academische traditie te land, ter zee en in de lucht absoluut geweldloos werkt [althans in Nederland]. Waar in de media publiciteitsgeile forumdansende wetenschappers buitensporig verbaal geweld gebruiken, dreigt in de regionen van de psycho-analyse nog altijd wraak en versnippering.

Voor zover ik de situatie een beetje kan overzien, is de cognitieve psychologie een sleuteldiscipline. De filosofie en het bestuurlijk-universitaire establishment moeten de hulp nu … niet staken maar juist herijken in de richting van een herwaardering van het grondslagenonderzoek en het persoonsgebonden onderwijs.

Wilders is een door demonen bezeten geniale strateeg

Prangende vragen en uitspraken die commentaar vragen, gisteren, in de Volkskrant. Ik citeer, en geef meteen de antwoorden resp. tegen-commentaren en/of tegen-vragen:

(1) ‘Wil Wilders breken, of is hij gewoon een pestkop?’ – Antwoord: geen van tweeën. Wilders is een door demonen bezeten geniale strateeg die vanuit een voor andere geheime inspiratiebron tot elke prijs macht wil.

(2) ‘PVV-leider Wilders zette de afgelopen dagen de relatie met CDA en VVD op scherp. Is het hem ernst … ? – Antwoord: het is hem dodelijke ernst en veel meer dan dat.

(3) ‘… en wil hij binnen afzienbare termijn breken met het minderheidskabinet dat hij gedoogt?’ – Antwoord: ja en nee – al naar gelang het hem uitkomt.

(4) ‘Of is hij gewoon belletje aan het trekken om de aandacht van media en kiezers vast te houden?’ – Antwoord: aandacht van media en kiezers vasthouden is zeker een doel, maar om dat te benoemen als ‘gewoon belletje trekken’ is een ernstig understatement. Om Wilders te vergelijken met een kind dat kattekwaad uithaalt is misleidend.

(5) ‘Het antwoord op de vraag kent vrijwel niemand.- – Tegen-vraag (a): u stelt meerdere vragen, de antwoorden verschillen; (b): wat bedoelt u met ‘vrijwel’? – Tegen-commentaar: ik meen dat ik wel antwoorden op de vragen heb.

(6) ‘Wilders laat zich niet in zijn hoofd kijken en geeft veel minder van zijn beweegredenen prijs dan zijn collega-politici.’ Tegen-commentaar (a): “… laat zich niet in zijn hoofd kijken” is een misleidende beeldspraak. Om te begrijpen wat hem beweegt is “… in zijn hoofd kijken” geen geschikte methode. (b): hij geeft hoegenaamd niets van zijn beweegredenen prijs. ALLES wat in het openbaar meedeelt is uitsluitend en alleen ‘tactisch’ bedoeld. Met enigerlei vorm van waarheid of naar gangbare maatstaven normaal debatteren heeft het niets te maken.

(7) Hij gaat schuil in zwaar beveiligde gangen in het Kamergebouw en heeft niet zoals andere partijen vijf, zes woordvoerders en spindoctors in dienst. Natuurlijk communiceert hij wel …’- Tegen-commentaar: communiceren is een wederzijds proces, en just de wederzijdsheid ontbreekt volledig bij Wilders.

(8) ‘… , geeft hij soms tekst en uitleg, maar met een hoge mate van onvoorspelbaarheid.’ Tegen-commentaar: understatement; de (on)voorspelbaarheid is tegelijk nihil en totaal. De huidige inzichten in de demonologie [zie WordPress bericht van gisteren] zijn ontoereikend om daar iets over te kunnen zeggen.

(9) ‘Ook de regeringspartijen CDA en VVD weten meestal niet wat Wilders beweegt.’ – Tegen-commentaar: te kort door de bocht geformuleerd. Wellicht hebben sommige deskundigen in CDA en VVD en elders enig inzicht in wat Wilders beweegt.

(10) ‘Wél doen in coalitiekringen inmiddels twee scenario’s de ronde. In het eerste is Wilders sinds enige tijd op zoek naar een uitgang uit de gedoogconstructie.’ Tegen-commentaar: Wilders is niet naar dit of dat ‘op zoek. Hij reageert ad hoc op gelegenheden die hem de kans geven te werken in de richting die wil, meer en meer en ten slotte absolute macht.

(11) ‘… Wilders heeft op dit moment een ideale uitgangspositie: hoog in de peilingen en zijn standpunt in het Europadossier vindt steeds bredere weerklank. De ontknoping daarvan volgt nog. Intussen liggen de electorale concurrenten CDA en PvdA in de polls op apegapen.’ – Tegen-commentaar: dit stukje analyse is geheel juist.

(12) ‘Hiertegenover staat het andere scenario: Wilders is een pestkop …’ [nee, dus, zie (4)] … ‘die houdt van het politieke spel en leeft volgens het adagium “een dag zonder reuring is een dag niet geademd”. Positiever gezegd …’ – Tegen-commentaar: de kwalificaties ‘positief en ‘negatief’ doen in verband met Wilders niet ter zake. …

(13): ‘Het is vooral minister-president Rutte die steeds beklemtoont dat het juist heel goed gaat in de coalitie en dat Wilders 100 procent betrouwbaar is in de samenwerking. Hij ziet diens gedrag als studentikoos: rauwe omgangsvormen van mannen die het onderling uitstekend met elkaar kunnen vinden. Voor de buitenwereld heeft Rutte nog steeds dezelfde boodschap als een jaar geleden: wen er maar aan.’ Tegen commentaar (a): Rutte kan niet anders, het is in zijn (tunnel-)visie niet alleen het beste maar het enige wat hij kan doen, (b) de duivel werkt altijd het krachtigst op wie gelooft dat hij niet bestaat.

(14) ‘ … . Dan ontstaat voor het kabinet een onwerkbare situatie.’- Tegen-commentaar: en dan ontstaat dus precies waar Wilders op uit is.

In de financiële crisis zijn nu de demonen losgebroken.

Wat in de kop staat is mijn conclusie uit een passage in het artikel ‘Technische trucs kunnen euro niet redden’ van Caroline de Gruyter in de NRC H van gisteren,

Ik citeer:

‘… De nieuwe Europese regeringsleiders moeten bezuinigen en hervormen tot ze een ons wegen. Tegelijkertijd weten zij en hun Europese gesprekspartners dat dit de eurocrisis niet meer oplost. „We hebben grof geschut nodig”, zegt een Europese topfunctionaris. „De oplossing is niet technisch meer, maar politiek. Ik zie nog twee oplossingen: groots ingrijpen door de ECB en de introductie van euro-obligaties.”

Langzamerhand beginnen politici in heel Europa te beseffen dat zij de schuldencrisis te ver hebben laten doorwoekeren. Het probleem is geen Grieks of Italiaans probleem meer. Nu beleggers zelfs Finse en Nederlandse staatsobligaties dumpen, wordt duidelijk dat de crisis alle eurolanden in zijn greep heeft. Dit kan alleen nog door krachtig, collectief ingrijpen worden gestopt. „De crisis is van perifeer existentieel geworden”, schrijft directeur Jean Pisani-Ferry van de Brusselse denktank Bruegel in zijn jongste boek, Le Reveil des Démons =[ het ontwaken van de demonen].

Dat de bankencrisis terug is van weggeweest, maakt het nog erger. Staatsobligaties worden minder waard en verzwakken banken in heel Europa. Er is geen geld voor nieuwe bail outs van banken. Zo versterken schuldencrisis en bankencrisis elkaar in een negatieve spiraal van stijgende bank- en staatsschuld. Om deze spiraal te stoppen, is bezuinigen en hervormen niet genoeg. Politieke ingrepen zijn nodig.’

Tot zover citaat uit de krant van gisteren.

De demonen zijn wakker geworden. Waar zijn ze eerder actief geweest? In Nazi-Duitsland. In 1953 schreef de politieke filosoof en activist Ernst Niekisch er een boek over: ‘Das Reich der niederen Dämonen’.

En nu zijn ze dus van weggeweest in de politiek.

Het wordt tijd voor een revival van de demonologie.

Ritters Historische Wörterbuch der Philosophie heeft er een heel lemma over. Ik citeer de slotconclusie:
‘Seit dem 19. Jh. entwickelte sich dann eine Dämonologie als wissenschaftliche Untersuchung des Geisterglaubens. Die damit zusammenhängenden Phänomene wurden seitdem sowohl mit historisch-kritischen Methoden wie auch unter psychologischem Aspekt analysiert, letzteres sogar unter Einschluß okkultistischer Experimente und Beobachtungen, die u.a. die Grundlage der heutigen Parapsychologie bilden und an deren Ergebnissen selbst bedeutende Naturwissenschaftler des 19. Jh. interessiert waren. Nach dem 1856 unter Pius IX. promulgierten Dekret ‹De magnetismo›, das vor leichtsinniger Beschäftigung mit der Dämonologie warnte und Experimente nur im Rahmen wissenschaftlicher Forschung erlaubte, erlangte die christliche Dämonologie von neuem eine gewisse Legitimität. Obwohl BULTMANN meint, daß der Dämonenglaube überholt sei, da sich eine Dämonologie im strengen Sinne aus Bibelzitaten nicht aufbauen läßt, wird auch in der neueren evangelischen Theologie die Dämonologie auf der Basis des altprotestantischen Bekenntnisses im Rahmen der Lehre von der Versöhnung (K. HEIM) bzw. der Erhaltung (H. VOGEL) behandelt. In der Tat ist der Gegenstand der Dämonologie unter biblischem Aspekt das Böse innerhalb des Heilsgeschehens. Der Kampf zwischen dem Reich Gottes und dem Reich des Bösen «wird zum Mittelpunkt neutestamentischer Aussagen. Deshalb ist im neuen Testament eine Theologie ohne Satanologie nicht denkbar». K. BARTH warnt freilich vor allzu eindringlicher «vermeintlich realistischer ‹Dämonologie›». Die Dämonen verdienten vielmehr als Gott widerstehende Gewalten und Mächte des Chaos nur so etwas wie einen «kurzen scharfen Blick».’

De bekende kreten ‘It’s the economy, stupid’ en ‘Alles is politiek’ moeten vervangen worden.

‘It’s the theology, stupid, want alles wordt door Lagere [en, hopelijk ook een beetje, Hogere] Machten bepaald.