Minister Schippers maakt de blits met de ‘kracht’ die ‘ergens achter’ zit

Zelden heeft de NRC er in een analyse volgens mij zó naast gezeten als vandaag in zijn commentaar op wat minister Schippers (VVD) zaterdag ventileerde over duistere krachten die tegen haar partij zouden opereren. Ik citeer uit het hoofdartikel:

‘Afgelopen zaterdag beweerde Schippers in een vraaggesprek met dagblad de Telegraaf dat er een bewuste campagne school achter de afgelopen weken aan het licht gekomen affaires waarbij VVD’ers betrokken waren. Zij doelde in het bijzonder op de zaak die begin vorige week leidde tot het aftreden van de VVD-coryfeeën op het departement van Veiligheid en Justitie, minister Opstelten en staatssecretaris Teeven. … Zij is ervan overtuigd dat er „ergens een kracht” zit achter het telkens oprakelen van de kwestie rond de deal met drugscrimineel Cees H. … Dit is nogal een bewering. Zeker als deze gedaan wordt zonder enige verdere bewijsvoering. Die heeft zij dan ook niet, gaf Schippers toe. Het blijft bij haar constatering dat het geen toeval was dat de omstreden deal met de drugscrimineel nu in het nieuws kwam.’

In een artikel in de rubriek Analyse op blz. 5 vind ik als aanvulling: ‘Over Schippers’ motieven verschillen de meningen. … Hoe het ook zij: dat Schippers, een extreem ervaren politica, het nodig acht deze uitspraken te doen, zegt iets over de stemming in het VVD-campagneteam. Met nog een paar dagen te gaan tot de Statenverkiezingen, staat de grootste regeringspartij onder druk.’

Tot zover de feiten zoals ze in de krant staat. Nu het oordeel van de NRC [met cursivering van mij] zoals het in de krant staat.

Uit het hoofdartikel haal ik: ‘Volkomen terecht hebben politici van andere partijen Schippers dan ook opgeroepen te zwijgen als zij niet over nadere aanwijzingen over een bewuste actie beschikt. … Met haar bewust gekozen bewoordingen legt minister Schippers het accent op de boodschapper van de affaire in plaats van de affaire zelf. Dat is hoe dan ook de verkeerde volgorde. Uit het artikel op blz. 5 haal ik: ‘Is het een list om de VVD-kiezer naar de stembus te krijgen door de slachtofferkaart te spelen? Of een verbale uitglijder in een campagne die ten prooi is gevallen aan de wet van Murphy?

Tot zover de NRC. Nu mijn eigen oordeel, aansluitend op wat ik hier zaterdag en gisteren al schreef over dit mooie verhaal: dit is politiek drama in optima forma.

In het VVD campagneteam zijn ingewijden aan het werk die geheime kennis hebben over iets dat nog bijna niemand anders durft te weten, laat staan hardop uit te spreken. Een ontelbaar groot aantal Nederlandse burgers hebben diep in hun gemoed onuitsprekelijk de pest aan alle serieuze politici en journalisten. De reden daarvoor is simpel: serieuze politiek en journalistiek worden steeds minder simpel, en steeds meer burgers begrijpen daar eenvoudig niets van [een mooi toeval maakt dat Hofland in dezelfde krant van vandaag een actuele column heeft over toenemend analfabetisme]. Het onbegrip van al die burgers in combinatie met het onomstotelijke feit dat politiek ons leven daadwerkelijk beïnvloedt, maakt dat steeds meer mensen steeds meer gaan vertrouwen op hun diepste bijgeloof aan occulte krachten die ‘ergens’ werkzaam zijn, en die geheime krachten kunnen alleen effectief werken als ze juist niet nader benoemd en toegelicht worden.

Conclusie: ‘Volkomen terecht‘ en ‘de verkeerde volgorde‘ slaat nergens op, ‘een list om de VVD-kiezer naar de stembus te krijgen‘ slaat de spijker op zijn kop, maar ‘slachtofferkaart spelen‘ zit er dan net weer naast en ‘de wet van Murphy’ slaat weer helemaal nergens op.

Politiek is het een horror-story. Als drama heeft het Shakespeariaanse allure.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

In de campagne voor de nakende statenverkiezigen speelt een drama van Shakespeariaanse allure

Het is de meeste landgenoten misschien nog niet opgevallen, maar in de Nederlandse politiek speelt zich dezer dagen een drama af van Shakespeariaanse allure – uiteraard in de bescheiden afmetingen en de vale kleuren van onze nationale poldercultuur, maar voor de alerte Den Haag watcher onmiskenbaar klassiek.

Het begon haast onopgemerkt toen Mark Rutte op 6 maart in een debat opmerkte dat wat hem betreft uitgereisde jihadisten beter kunnen sneuvelen dan hier terugkomen om opnieuw dood en verderf te zaaien.

‘Het kan niet anders …’ – ik citeer nu Edith Schippers, niet naar de letter maar helemaal naar de geest zoals ik die proef – of dat was achter de schermen afgesproken werk van de scenario-schrijvers van de campagnes. Wilders was met griep naar huis gestuurd en Rutte mocht zeggen wat ongeveer tweederde van de Nederlanders stiekem denkt: ‘laat al die verrekte alle moslims lekker een enkele reis verdienen naar hun paradijselijke hiernamaals om daar voor hun onthoofding van onschuldige burgers en nieuwsgierige journalisten tot in alle eeuwigheid beloond te worden met maagdelijke geneugten’ [ik vat het nu in mijn eigen woorden in een van de meer populaire idiomen van cyberspace samen].

En toen kwam mw. Schippers zelf aan het woord: „De een zegt: het is de onderwereld. De ander zegt: het zijn krachten bij justitie. Een derde zegt: het zijn krachten uit de advocatuur. Ik kan dat niet beoordelen. Maar er zit ergens een kracht achter,” [gisteren in de Telegraaf].

‘De een zegt, … de ander zegt, …, … ergens … krachten … ‘: een béétje drama-schrijver ruikt z’n kans. En dan wordt hij op zijn wenken bediend door, of all people, kunsthistoricus (!) Alexander Pechtold. In een perfecte imitatie van Batavus Droogstoppel roept hij mw. Schippers op om te doen wat in de goede oude tijd in Nederland usance was, namelijk haar beschuldigingen ofwel hard maken met bewijzen ofwel terugnemen – dit is zwarte humor zoals in de Nederlandse media zelden vertoond wordt, toch? Leeft u echt op een andere planeet, Alexander Pechtold? Of doet u stiekem mee in het spel?

Het echte genie steekt natuurlijk in al de campagnestrategen. Ik voorspel dat VVD en PVV samen woensdag ongeveer tweederde van de stemmen zullen halen.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Minister Schippers ziet het licht en erkent de paranormale geneeskunde

De verkiezingscampagne begint spannend te worden! Minister Schippers heeft ontdekt dat occulte krachten in het spel zijn!

Ik citeer: ‘Minister Schippers  vermoedt kwade opzet achter de affaires die de VVD achtervolgen in de aanloop naar de Statenverkiezingen. In een interview met de Telegraaf zegt de VVD-politica dat het wel heel toevallig is dat er achter elkaar drie affaires waren die haar partij in een slecht daglicht plaatsen. Schippers noemt de affaire-Mark Verheijen, het Kamerlid dat aftrad wegens onterechte declaraties, de zaak-Stichtse Vecht over het lekken van een burgemeestersbenoeming en de bonnetjesaffaire die de bewindslieden Opstelten en Teeven de kop kostte. Het is niet voor niets dat dat allemaal nu naar buiten komt, zegt Schippers. Wie die krachten zijn die de VVD willen beschadigen, zegt de minister niet te weten. Ze is behalve minister ook lid van het campagneteam van de VVD voor de Statenverkiezingen. De zaak die haar het meest stoort, is de bonnetjesaffaire. “Als een bonnetje dat 15 jaar zoek was een week voor de verkiezingen opduikt, is dat in mijn ogen geen toeval.” Daar kunnen krachten achter zitten uit de onderwereld, uit de advocatuur of uit het departement van Justitie zelf, zegt Schippers. Ze denkt niet aan een politieke partij. Als de bewindslieden Opstelten en Teeven moedwillig pootje zijn gelicht door krachten op het ministerie, moet volgens Schippers de bezem rigoureus door het departement worden gehaald.Wie de mensen zijn die het vermeende beschadigingsoffensief voeren, zegt Schippers niet te weten. „De een zegt: het is de onderwereld. De ander zegt: het zijn krachten bij justitie. Een derde zegt: het zijn krachten uit de advocatuur. Ik kan dat niet beoordelen. Maar er zit ergens een kracht achter.”’

Dat is pas echt groot nieuws! Vroeger wisten de mensen nog dat de duivel echt bestaat en dat zijn sterkste troef is de mensen te laten geloven dat hij niet bestaat. Nu leert de liberale minister die ziekte en genezing in haar portefeuille heeft ons hoe die mensen van vroeger gelijk hadden. Paranormale genezers, grijp uw kans. Deze minister staat meer open voor uw occulte krachten dan u acht!

Posted in Uncategorized | Leave a comment

‘Is your language really yours?’ Een ondergewaardeerd probleem in Engelstalige opleidingen

De republiek der wetenschap is een land zonder grenzen. Haar inwoners, de beoefenaren van de wetenschap en hun leerlingen, communiceren in alle talen die zich laten denken.

Sinds de tweede helft van de vorige eeuw wordt één taal in toenemende mate dominant. Dat geeft problemen. Ze komen geregeld in de publiciteit – althans in Nederland; hoe het wat dit betreft in andere territoriën van de republiek gaat, weet ik niet.

Eén probleem krijgt niet de aandacht die het verdient. Het staat compact samengevat in de titel boven dit stukje. Die vraag is tevens de titel van hoofdstuk 6 van een boek van David Bellos onder de curieuze titel ‘Is That A Fish In Your Ear?’ (2011). De ondertitel geeft, niet erg bescheiden, aan waar het over gaat: Translation and the meaning of everything’.

Ik ben tegen dit boek aangelopen in het keuzeblok Toegepaste WetenschapsFilosofie dat ik aan de EUR geef voor derdejaars studenten psychologie. Vorig studiejaar meldden zich daarvoor vijf Exchange studenten: twee uit Canada, twee uit Turkije en een uit Thailand met academische thuisbasis in Singapore. Dat blok was uiteraard Engelstalig. Voor de rest ging het zoals het sinds 2004 in mijn keuzeblok in het Nederlands gaat. Dat is een variant van het Probleem Gestuurd Onderwijs met daarin, gegeven dat in filosofie de eigen interesses en meningen van studenten relevanter zijn dan in zogeheten vakwetenschappen, relatief veel aandacht en relatief veel vrijheid voor de studenten in de keuze en aanpak van problemen, hun keuze van literatuur en hun eigen woordkeus.

Als gevolg daarvan deed het probleem inzake Engelstaligheid zich relatief extra scherp voor. Al in de eerste bijeenkomst werd dat heel concreet duidelijk. Een van de twee Canadezen had een mini-presentatie voorbereid over een pakkend onderwerp, de anderen gingen daarop in, en na korte tijd ging dat fout. De beide Engelstalige native speakers begrepen elkaar helemaal op de manier waarop sprekers in een gemeenschappelijke moedertaal elkaar kunnen begrijpen, de Thai-Singaporese student kon prima meekomen, maar de beide Turken en ik strompelden er achteraan, en begrepen gaandeweg steeds minder waar het over ging. Ik moest dus ingrijpen. Ik moest make it happen, zoals het tegenwoordig heet. Als tutor en docent kon ik niet meer alleen gewoon meedoen. Ik moest zorgen dat het echt een goed gesprek werd tussen ons zessen.

Een perfect toeval leverde de start voor een oplossing. Ik ging de beide Canadezen in de officiële tweede taal van hun land vermanen om zó te spreken dat ook wij, met slechts steenkolen-engels begiftigde deelnemers aan het gesprek, hun interactie konden volgen en er in konden meedoen.

Het werkte. Weliswaar was hun kennis van het Frans ongeveer van het zelfde allooi als die van het Vlaams van een doorgefourneerde Wallon, maar de boodschap kwam over. En dat niet alleen: al gauw werden we geconfronteerd met een belangrijk, om niet te zeggen het essentiële probleem van ons Engelstalig onderwijs.

Voor de nadere precisering geeft Bellos een effectieve eerste probleemstelling [wat zou overigens de juiste, of op z’n minst een goede, althans bruikbare Engelse vertaling zijn voor ons begrip ‘probleemstelling’? Het woordenboek brengt mij niet veel verder. Definition of a problem, problem posing, problem definition – het komt op mij over als nogal clumsy, gekunsteld. Maar dit terzijde].

Ik citeer van blz. 195-196 van Bellos: Translators working into English are confronted on every page with decisions about the nature, scope, identity, and audience of the language they are writing. I write in a personal idiom that bears traces of my upbringing in England, my long stay in Scotland, and my present life on the East Coast of the United States. When I write a translation, however, I have to make choices in every paragraph about what variety of written English to use. … It drives me mad. How do I know what is “English” and what is something else?’ [onderstreping in dit citaat van mij, HV].

In een mix van vertaling en parafrasering voor eigen gebruik en met enkele wijzigingen en aanvullingen maak ik daar het volgende van.

Als tutor/docent in een Engelstalige PGO-groep word ik onafgebroken geconfronteerd met de noodzaak om besluiten te nemen aangaande de aard, draagwijdte, identiteit van de woorden die wij in de PGO-groep gebruiken. Zelf spreek ik, zoals iedereen doet, in een persoonlijk gekleurd idioom, dat in mijn geval in hoge mate meebepaald wordt doordat ik pas op het gymnasium Engels begon te leren en slechts één maal, intussen zestig jaar geleden, drie maanden in Engeland heb gewoond, terwijl Duits en en mindere mate Frans voor mij, als van afkomst halve Zwitser, bijna mijn tweede moedertaal zijn. Als gevolg daarvan moet ik, wanneer ik Engels moet spreken, in iedere zin die ik uitspreek keuzes maken over welke varianten van welke woorden ik zal gebruiken. Vooral in een setting als die van PGO is dat – beleef ik zelf dat althans als – een ernstige handicap. Dit alles maakt mij ernstig ongerust. Hoe weet ik hoe mijn ‘Engels’ overkomt op de studenten, die immers onderling zeer verschillen in hun proficiency in die taal? [Het ietwat kromme Nederlands in de vorige zinnen van deze alinea is een neveneffect van de tweetaligheid waarin ik al schrijvend slalom tussen het Engels van Bellos en mijn Nederlandse weergave van wat ik van hem leer.]

Uit deze eerste probleemstelling volgen enkele deel-problemen.

Het eerste dat zich aan mij voordoet, is dat men zich in de universiteit enerzijds terdege bewust is van het probleem, maar anderzijds – althans in mijn perceptie – nog niet voldoende besef heeft van de draagwijdte ervan. Veelal wordt het probleem aangevat door te stellen dat zich thans wereldwijd een scientific English ontwikkelt dat men in alle opzichten kan vergelijken met het Latijn als de lingua franca van de geleerden in de tijd van Erasmus. Maar zo werkt dat niet. In de tijd van Erasmus was al bijna duizend jaar Latijn voor geen enkel kind in de wereld meer de moedertaal, de native speech. In onze tijd is Engels voor circa 400 miljoen mensen de native speech en voor tussen de 800 en 1800 miljoen mensen een taal die zij bijna zo goed spreken als hun

moedertaal, ontleen ik aan Bellos. Gegeven dat in het algemeen de moedertaal een onvervangbare determinant is in de ontwikkeling van de mens, volgt hieruit dat in ieder cohort studenten waarin native-speech-engelstalige studenten meedoen bijna wetmatig een tweedeling zal optreden tussen de geboren en getogen Engelstaligen en hen die pas later Engels geleerd hebben.

Dat hoeft geen onoverkomelijk bezwaar te zijn – integendeel, het kan creatief gebruikt worden, maar er moet dan wel doelbewust aan gewerkt worden.

Een tweede probleem is dat in PGO-groepen met uitsluitend studenten die pas na hun kinderjaren Engels geleerd hebben ook, maar een ander soort segregatie optreedt. De vaardigheid van mensen om een tweede taal te leren en om die te spreken, hangt immers van verschillende factoren af. Eén factor is de eigen moedertaal. Die kan meer of minder verwant zijn met het Engels. Een andere factor is de omgeving waarin de student nu verkeert en waar nu de vreemde taal gesproken wordt. Een PGO-groep met enerzijds meerdere Nederlandstalige studenten en anderzijds

ongeveer even veel studenten met onderling verschillende moedertalen en navenant verschillende vaardigheden in het Engels zal anders werken dan een groep met slechts één Nederlandstalige resp. slechts één niet-Nederlandstalige student. Zo zijn talloze ‘(moeder)talige’ sociale configuraties denkbaar in de PGO-groepen, allemaal met hun eigen problemen.

Een derde probleem dat daar nog bij komt volgt uit het gegeven dat nagenoeg alle officiële leerstof sowieso in het Engels is. Alleen al in gewoon Nederlandstalig PGO wordt daardoor vaak de echte impact van een begrip of een theorie niet echt goed voor alle studenten duidelijk. Overigens komt dit laatste probleem in mijn ervaring vaker in de wandelgangen ter sprake dan in formele evaluaties. Het is aannemelijk dat dit probleem in Engelstalig PGO nog sterker zal spelen.

Ten slotte noem ik nog het argument dat in de tijdgeest van de 21e eeuw de taal steeds meer onderkend wordt als in hoge mate bepalend voor het mens-zijn ‘Taal is meer dan bloed’, stelde de Duits-Joodse filosoof Franz Rosenzweig (1886 – 1929). Over die stelling is discussie mogelijk – allicht. Belangrijker is, dat het dringend noodzakelijk is dat die discussie ook daadwerkelijk gevoerd gaat worden.

UNIVERSITAIRE VORMING

In de dagen waarin ik dit stukje schrijf begint in de Nederlandse politiek de campagne gevoerd te worden voor de verkiezingen van de Provinciale staten op 18 maart.

In de NRC van 17 januari schreef Marc Chavannes in dat verband over het beleid van het huidige kabinet: ‘Dat beleid verwart en vereenzelvigt politiek met een management- vraagstuk. … Dat inzicht kan moedeloosheid … aanwakkeren. Nuttiger is het als iedereen die betrokken is bij de publieke zaak gaat beseffen dat politiek is verworden tot bestuur.’ In wat Chavannes schrijft, herken ik een situatie die lijkt op wat ik bedoel. Ik parafraseer: in het beleid van de EUR inzake de Internationale Bachelor en Engelstalig onderwijs wordt mijns inziens onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds management en besturen en anderzijds reflectie op de core business van de universiteit met bijbehorende actie, de universitaire vorming.

Die universitaire vorming kwam op 24 januari via een andere ingang in de krant ter sprake in een redactioneel commentaar van Hendrik Spiering in het katern Wetenschap: ‘Wat is beter: begrijpen of verklaren? Vroeger werd daarover nog wel eens gevochten in de wetenschapsfilosofie. Vooral als het ging om menswetenschap. “Begrijpen”, dat is invoelen en empathie, zoals de oude romantische geleerden ooit deden. Het gaat om de menselijke maat. Begrijpen is Bildung. En ‘verklaren’, dat is het verbinden van feiten aan wetmatigheden. Ha! Natuurwetenschap! Meten is weten, grafieken liegen niet. Het is duidelijk wat steeds meer als Echte Wetenschap is gaan gelden. De Verklaarpartij wint. Begrijpers hebben al decennia de tijdgeest tegen zich.’

En Jan Kuitenbrouwer schreef 5 februari inspirerend over de nieuwe Griekse minister van Financiën, Yanis Varoufakis. Tijdens de persconferentie met Dijsselbloem sprak hij Grieks en de ophef over zijn uitspraken zou zijn veroorzaakt door een slechte vertaling, maar de ware taalbarrière die Varoufakis opwerpt, gaat dieper: ook in conceptuele zin wil hij zijn eigen taal spreken. Hij accepteert het gangbare vocabulaire van de eurocrisis niet.

Kortom, de linguistic turn die bijna een eeuw geleden in de filosofie in Oxford werd geproclameerd, is in tussen een heuse linguïstische revolutie geworden.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 10. Voeding, brein en ritme – de samenhang door het toeval drie maal bevestigd.

Toeval bestaat echt – maar wel alleen voor zover je het opmerkt. Dat doe je alleen voor zover je het opmerkt als toeval, en dat doe je dan omdat het iets in je wakker roept, doordat het je aan iets doet denken of ergens aan herinnert. Volgens een Frans gezegde: Le hasard nous ressemble: het toeval lijkt op ons.

Op reis

Vanmiddag overkwam mij dat. Ik had net een nieuwe stationsklok gekocht. De oude had het na meer dan twintig jaar trouw dienst begeven en ik wilde per se een nieuwe, want ik heb iets met stationsklokken. Telkens als ik op zo’n klok kijk, herinner ik me hoe ik het hele leven dóór eigenlijk op reis ben. Dat hoort bij mij – net als de trein. Ik ben vanaf mijn eerste levensmaanden een doorgefourneerde treinreiziger, en bijna zolang als ik me herinner gedreven door het gevoel dat ik op reis ergens heen onderweg ben.

En het toeval wilde nu dat ik op de wetenschapspagina van de krant drie artikelen vond die mijn aankoop een diepere zin gaven.

(1) De kop boven het eerste was meteen raak. ‘Wie te vaak naar de klok kijkt, geniet niet genoeg‘. Mensen die hun dag naar de klok indelen, laten hun leven meer bepalen door dingen die buiten hun eigen controle liggen, menen de onderzoekers. ‘Dat voelt onprettig. En steeds naar de klok kijken geeft druk … ‘, aldus de resultaten van het onderzoek.

Ik wil het graag geloven, maar herken me er niet in. Net als eigenlijk alle andere mensen die ik ken, gebruik ik de klok gewoon om af en toe bevestiging te krijgen van hoe laat ik ongeveer denk en/of voel dat het is. Ik vrees dat de onderzoekers hier oorzaak en gevolg door elkaar halen.

(2) De tweede kop was niet opzienbarend. ‘Geheugen verslechtert door veel nachtdienst‘. Al tientallen jaren is bekend dat vooral het dag- en nacht-ritme essentieel is voor alle functies van lichaam, ziel en geest – ook die van het brein.

Antroposofen weten dat al ongeveer een eeuw. In de zomer van 1924 gaf Steiner in Arnhem een cursus over geneeskunde. Een van de deelnemers was de student Rudolf Hauschka. In de wandelgangen stelde die aan Steiner de vraag hoe men kan onderzoeken wat leven is. Het antwoord dat die gaf, is een leidmotief van de antroposofie geworden. ‘Studieren Sie die Rhythmen‘, antwoordde die. ‘Rhythmus trägt das Leben‘. ‘Onderzoek de ritmen. Ritme draagt het leven’. Dat is een stuk antroposofie dat in de afgelopen zestig jaar onbetwijfelbare waarheid voor mij is geworden. Ritme verbindt verleden en toekomst, tijd en ruimte. Het werkt overal en altijd – om te beginnen tussen denken en willen. Maar hoe waar en werkelijk dat is, kun je pas begrijpen als je ‘t gaat voelen.’ LEES VERDER in ‘De naam van het geheim – Rudolf Steiner en het probleem van de antroposofie en de vrije wil – Een levensbericht in de vorm van een inventaris van paradoxen in eigentijds format ter informele bekendmaking, verspreiding en bespreking in kleine kringen van vrienden, bekenden en eventueel zelfs andere geïnteresseerden ISBN 978-90-76494-08-1 De

 (3) De derde kop staat boven het artikel dat (1) en (2) verbindt: ‘Mens verloor in evolutie veel plantenetende darmbewoners‘. Vergeleken met vooral planten etende hogere apen heeft de mens een totaal andere darmflora, en de laatste jaren wordt steeds duidelijker dat en hoe die darmflora in wisselwerking met wat de mens eet, hoe hij denkt en hoe zijn leven wel of niet ritmisch inricht het leven méébepaalt. .en iedereen die een béétje bewust leeft weet uit intieme ervaring hoe de plantenwereld en dus de groente die je eet veel ritmischer werkt dan de dierenwereld en dus het vlees dat je eet.

LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/

kop staat boven het artikel dat (1) en (2) verbindt: ‘Mens verloor in evolutie veel plantenetende darmbewoners’. Vergeleken met vooral planten etende hogere apen heeft de mens een totaal andere darmflora, en de laatste jaren wordt steeds duidelijker dat en hoe die darmflora in wisselwerking met wat de mens eet, hoe hij denkt en hoe zijn leven wel of niet ritmisch inricht het leven méébepaalt. .en iedereen die een béétje bewust leeft weet uit intieme ervaring hoe de plantenwereld en dus de groente die je eet veel ritmischer werkt dan de dierenwereld en dus het vlees dat je

  eet.

 

LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/

 

(3) De derde kop staat boven het artikel dat (1) en (2) verbindt: ‘Mens verloor in evolutie veel plantenetende darmbewoners’. Vergeleken met vooral planten etende hogere apen heeft de mens een totaal andere darmflora, en de laatste jaren wordt steeds duidelijker dat en hoe die darmflora in wisselwerking met wat de mens eet, hoe hij denkt en hoe zijn leven wel of niet ritmisch inricht het leven méébepaalt. .en iedereen die een béétje bewust leeft weet uit intieme ervaring hoe de plantenwereld en dus de groente die je eet veel ritmischer werkt dan de dierenwereld en dus het vlees dat je eet.

LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/

(3) De derde kop staat boven het artikel dat (1) en (2) verbindt: ‘Mens verloor in evolutie veel plantenetende darmbewoners’. Vergeleken met vooral planten etende hogere apen heeft de mens een totaal andere darmflora, en de laatste jaren wordt steeds duidelijker dat en hoe die darmflora in wisselwerking met wat de mens eet, hoe hij denkt en hoe zijn leven wel of niet ritmisch inricht het leven méébepaalt. .en iedereen die een béétje bewust leeft weet uit intieme ervaring hoe de plantenwereld en dus de groente die je eet veel ritmischer werkt dan de dierenwereld en dus het vlees dat je eet.

LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/


LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/

.

LEES VERDER in http://www.foliaorthica.nl/images/13/277.pdf en in http://www.desteronline.nl/voeding-wetenschap-politiek-en-filosofie/ en in http://www.desteronline.nl/osteoporose-en-de-huisfilosoof/

Posted in Uncategorized | Leave a comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 9. Geheimen bestaan.

Geheim is geheim. Alles wat je er meer over zegt onthult iets van het geheim en ontkracht zodoende zichzelf. Maar bloed kruipt waar het niet gáán kan en de mens is, althans volgens Sartre, ‘gedoemd tot de vrijheid’ oftewel, in een creatiever en meer zich zelf bevestigend mensbeeld, geschapen met het doel een nieuwe kwaliteit toe te voegen aan de kosmos namelijk de vrijheid, zoals Steiner en de antroposofen het zien, dus hij probeert per definitie het onmogelijke en zoekt en vindt en communiceert over geheimen zonder het geheim te onthullen.

Phishing mail

Dat klinkt raadselachtig maar ik heb redenen om zo te beginnen. Gisteren blogde ik hier over zelfmoord en een bankier van ABN/AMRO en naar goed gebruik twitterde ik daarover. In een van die tweets plaatste ik het bekende #-teken voor de naam van deze bank. Amper een paar uur later kreeg ik zonder dat mijn spam-filter enige argwaan had getoond een evidente phishing-mail van zogenaamd ABN/AMRO. Zulke phishing mail krijg ik, zoals iedereen, vrijwel dagelijks – maar bijna nooit van ABN/AMRO en al helemaal niet zonder dat mijn antispam waakhond zijn werk doet. Dit was nieuw.

Achterdocht

‘Uit het feit dat je achterdochtig bent volgt niet automatisch dat niet iemand achter je aan zit’, leerde ik vroeger. Het USP, het Unique Selling Point van het werk van Steiner is dat hij zag dat de tijd voor geheimhouding van zogenaamd occulte zaken voorbij was, en zo goed als hij destijds in het Duitse taalgebied kon onthulde wat hij aan geheimen doorzag.

Deductie

Het succes dat Steiner had met zijn werk en de geloofwaardigheid van wat hij meedeelde maken niet dat er nu geen geheimen meer zijn. Ze zijn alleen nog moeilijker op te sporen dan vroeger. Het voorbeeld dat iedereen (behalve Anouchka van Miltenburg, voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal) kent is ICT. Geniale wiskundigen die de geheime (!) algoritmen kennen die bruikbaar zijn om in cyberspace te spioneren zijn realiteit. Ben ik achterdochtig als ik deduceer dat hier wellicht zo’n geniale kenner van nieuwe ICT-geheimen een snelle klus geklaard heeft?

Posted in Uncategorized | Leave a comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 8. Allerzielen, Allerheiligen en het enige werkelijk ernstige probleem

Gisteren was het Allerheiligen, vandaag vieren wij Allerzielen. Het zijn de twee religieuze feestdagen waarop wij en de gestorvenen dichter bij elkaar zijn dan op alle andere dagen. Die feestdagen hebben alles te maken met het enige werkelijk ernstige probleem in deze tijd. Dat is karma en reïncarnatie.

Zelfmoord

De eerste twee zinnen van deze aanhef vatten een traditie samen die al eeuwen binnen en buiten de christelijke en andere religieuze dimensies leeft. De daarop volgende zin is mijn aanvulling. Die is een variant op de openingszin van het essay ‘De mythe van Sisyphus’ van Albert Camus. ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.

Die fundamentele vraag van de filosofie is het absurde. Iedereen kent het. Een enkele keer, bij sommigen vaak, bij een enkeling min of meer voortdurend, komt het boven: ‘Hier ben ik, dáár is de werkelijkheid – wat hebben die twee met elkaar te manen? Niets, toch?’

Omstulping

De mens stelt vragen, de werkelijkheid antwoordt niet. In de antroposofie wordt het omgestulpt. De werkelijkheid, heel concreet de levende natuur stelt vragen aan de mens. Die kan antwoord geven, want hij heeft een miniatuur-replica, de microkosmos, in zich. Maar dat weet hij niet meer. De twee duivels van de moderniteit, Satan -= Ahriman en Diabolos = Lucifer, hebben ons zó bijna totaal in hun macht dat wij ons liever tot de dood erop volgt amuseren dan ons op zodanige wijze moeilijke vagen te stellen over onze relatie met de werkelijkheid dat we antwoorden mogen verwachten.

In zo’n bijna totaal uitzichtloze situatie is zelfmoord de enige werkelijk rationele uitweg – maar niet heus. De antroposofie vult dit ‘maar niet heus‘ in. De mens is geschapen met het doel een nieuwe dimensie toe te voegen aan de kosmos, namelijk de vrijheid. Dat is het absurde tot zijn maximaal denkbare consequentie dóórgedacht. Dat begrijpt niemand echt – ik ook niet. En toch – of juist daarom – is zelfmoord het meest absurde dat zich wèl denken laat.

Aanstelleritis

Veel meer weet ik op deze feestdag niet los te peuteren uit mijn gekwelde ziel. Ik overdrijf niet; ik begrijp zelf nauwelijks of niets van wat ik hier schrijf en voel alleen kwelling in mijn ziel. Hoogstens verval ik met dit gevoel in banale aanstelleritis en heeft Camus gewoon gelijk – niks ‘maar niet heus’.

Alleen één ding wil ik nog kwijt. De directe aanleiding tot deze mijmeringen was een immens artikel in de krant van gisteren. Het ging over leven, werk en dood van de voormalige ABN/AMRO bankier Jan Peter Schmittmann. Op 5 april van dit jaar bracht die zijn vrouw en jongste dochter in hun huis in Laren om het leven. Daarna pleegde hij zelfmoord.

Het artikel brengt mij tot de enige werkelijk ernstige speculatie die ik mij vanochtend veroorloof. De NRC, ducdalf voor athëisme, heidendom en banaliteit, zet voor één keer de bloemetjes buiten en viert met dit artikel stiekem zijn eigen feest van Allerzielen.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 7. ‘Naheffing’: de belastingdienst en ‘de politiek’ vieren Halloween

Het toeval zorgt soms voor zwarte humor. Op dezelfde dag waarop ‘de politiek’ moest opbiechten dat ongeveer de helft van de belastingplichtige ingezetenen van ons land een naheffing van soms enkele honderden euro’s zullen krijgen, wierf de overheid ‘fiscalisten die zelfstandig denken en werken’ in een advertentie met de slagzin ‘De Belastingdienst wil dat mensen snel weten waar ze aan toe zijn’. Dat is op zich al een gedenkwaardige toevalstreffer. Nog mooier wordt als ik, lichtelijk beneveld door de 80% rum die ik stiekem in mijn thee doe, in de krant van vandaag ook meende te lezen dat die naheffing verschillend kan uitpakken – van enkele tientallen tot 642 miljoen euro’s.

Heilige Roomse Rijk

Dat laatste is niet juist; deze jokkernij komt geheel op rekening van die 80%. Europa laat ik nu maar even buiten beschouwing – dat is al erg genoeg. ‘De Europese Unie is bezig in slowmotion te imploderen’ schrijft Caroline de Gruyter in de krant van vandaag: ‘Niet omdat kleine of perifere landen als Griekenland of Hongarije het met de regels niet zo nauw nemen. Nee, de rot zit in het centrum – bij de grote landen’. Haar column is overigens interessante lectuur bij een doorwrocht artikel in het zojuist verschenen novembernummer van Motief – Maandblad voor Antroposofie over hoe de Europese Unie in werkelijkheid een esoterische meesterzet is van het Vaticaan om het Heilige Roomse Rijk in zijn oude katholieke luister te herstellen (wat Steiner op 11 april 1924 al voorspeld zou hebben – moet ik nog nakijken).

Leuk

Maar die kleine naheffing voor ons polderingezetenen op de dag waarop de Belastingdienst profeteert dat ze haar betalers bij de tijd wil houden – dat is toch wel lachen. ‘Leuker kunnen we het niet maken’ adverteerde de Belastingdienst jarenlang – ook die slagzin is nu bij wijze van spreken ingehaald door de tijdgeest. Zelfs de verslaving aan ‘vind-ik-leuk-aanvinken’ in het facebook-moeras wordt zo nog bijna een beetje aardig.

Zwitserland

Lees verder in een van de 22.000 exemplaren (excusez du peu) van de krant over RUDOLF STEINER ALS MAATSCHAPPIJVERNIEUWER die de Arnaud Johannes Stichting dezer dagen naar aanleiding van de Kunsthalmanifestatie gratis verspreidt. Geld is een mysterieus verschijnsel. Von Geld spricht man nicht; Geld hat man zeggen ze in Zwitserland. En laat het nou juist dáár goed gaan met de economie.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 6. Godsdienstoorlog

‘Zeker twintig autochtone Nederlanders wilden zich de afgelopen maanden aansluiten bij strijdkrachten die vechten tegen de extremistische terreurorganisatie Islamitische Staat (IS)’. Dat meldt de Volkskrant vandaag. Ben ik de enige die in die strijd nu echt een herhaling zie van wat we uit de geschiedenis kennen als godsdienstoorlog? Dat is, aldus Wikipedia, ‘een oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen of gelegitimeerd door godsdienstige argumenten. In enge zin slaat de term godsdienstoorlogen op een aantal conflicten die in Europa plaatsvonden tussen katholieken en protestanten van 1522 tot 1648. In ruimere zin refereren ze aan elk religieus conflict. Over de definitie van “godsdienstoorlog” is veel debat. Vaak zijn er ook andere factoren, vooral politieke, in het spel, of loopt de historisch gegroeide grens tussen verschillende etnische groepen nu eenmaal gelijk met de grens tussen verschillende religies. De termen “heilige oorlog” of “jihad” worden ook wel gehanteerd om een oorlog om religieuze redenen te beginnen.’

Hiernamaals

De cursivering in het citaat is van mij. Wat daar staat, is zeker waar, maar als ik goed proef wat in die Islamitische Staat gaande is, zijn politieke factoren hier niet aan de orde. Wat de IS doet, is recht-toe-recht-aan een godsdienstoorlog. Nietzsche (‘God is dood’) heeft ongelijk. Hij en zijn habitat, het hiernamaals, zijn echt ‘terug van [ogenschijnlijk] weggeweest’. Daaraan doet niets af dat die jihadisten met hun paradijselijke visioenen zich van het hiernamaals geen serieuze voorstellingen maken, maar alleen wishful thinking plegen – of beter gezegd ziek-wellustige fantasieën koesteren.

Dat trek ik mij aan. Dat is niet vanwege de godsdienst of vanwege religie, maar vanwege de reïncarnatie. Die is voor mij realiteit en dat maakt dat ik mij ook omtrent het hiernamaals en het hiervoormaals serieuze voorstellingen moet maken. Dat is volgens velen ook louter wishful thinking en dat brengt mij in de problemen.

Dat is niet omdat ik in een godsdienstoorlog verwikkeld ben. Ik ben alleen in een persoonlijk conflict met iemand verwikkeld ben dat soms zo hoog oploopt en/of zo diep gaat, dat ik ga mijmeren over een mogelijke dóórwerking daarin van iets dat we in een vorig leven hebben meegemaakt.

Universaliënstrijd

Dat vorig leven speelt in de Middeleeuwen. Toen woedde een revolutie over de vraag hoe wij komen tot onze kennis in het algemeen, en tot onze algemene begrippen in het bijzonder. Die strijd werd in het Latijn gevoerd. Met het Latijnse woord ‘universalia’ benoemden de middeleeuwse filosofen en theologen wat wij nu ‘algemene begrippen’ noemen. Wij kennen deze controverse onder de naam universaliënstrijd. Het probleem was: hoe komen wij in ons zelfbewustzijn tot onze algemene begrippen over de werkelijkheid?

Van die vraag liggen tegenwoordig weinig mensen wakker. Dat is betreurenswaardig, want onbewust kent iedereen dat probleem uit eigen ervaring. Wij weten probleemloos wie of wat wij bedoelen als we in algemene termen spreken over, bijvoorbeeld, deze of gene rivier, bijvoorbeeld de Maas, of over deze of gene boom, bij voorbeeld de lindebomen in het park, of over deze of gene mens, bijvoorbeeld de lezer die reageert op de post. Evenzo weten we wat we bedoelen als we in algemene termen spreken over het algemene begrip ‘rivier’ of ‘boom’ of ‘mens’. Maar aan weerszijden van dit ‘Evenzo’ liggen twee verschillende ‘soorten’ weten. Daarover ging de universaliënstrijd. Inzet van die strijd was de vraag: wat is de relatie tussen die algemene begrippen waarmee we ‘de’ of ‘het’ dit-of-dat als zodanig aanduiden, en de concrete afzonderlijke dingen die we met deze woorden benoemen? Hoe zijn wij aan ons inzicht in die algemene begrippen gekomen? Hoe reëel zijn die algemene begrippen? Ze zijn niet met de zintuigen waarneembaar, maar wat is dan, met een technische term benoemd, de kentheoretische status van deze universalia? Voor de filosoof ligt in al die vragen een actueel probleem. Kort door de bocht samengevat circuleren twee oplossingen voor dit probleem. Ze heten ‘nominalisme’ en ‘realisme’. De nominalisten stellen dat wij de algemene begrippen construeren als een soort optelsom uit alle afzonderlijke waarnemingen van deze en gene concrete dingen. We zien in de loop van ons leven talloze malen een rivier, een boom, een mens, telkens noemen oudere mensen in onze omgeving de woorden die zij gebruiken als namen voor die dingen die zij ons laten zien. Door na te bootsen wat wij hen horen zeggen, leren wij de algemene begrippen rivier, boom, mens enzovoort. ‘Bottom-up’, zal ik maar zeggen. Aan de algemene begrippen die wij bijeen sprokkelen uit de losse stukjes die we waarnemen geven we willekeurig gekozen namen, vandaar de naam ‘nominalisme’ voor deze oplossing. De realisten stellen dat het net omgekeerd werkt. ‘Top down’, zou je naar aanleiding van de beeldspraak ‘bottom-up’ kunnen zeggen. De strijd over dit probleem mag op moderne mensen overkomen als een louter middeleeuwse en dus achterhaalde aangelegenheid, maar dat zou een ernstige vergissing zijn. Tien eeuwen geleden begon dit probleem voor de mensen van toen net zo belangrijk te worden als hier en nu, pak weg, het godsdienstig fundamentalisme of de zogenoemde ras-verschillen tussen mensen.

Mijn vrijheid

En hier en nu denk ik soms dat mijn partner-in-conflict en ik in ons vorig leven als nominalist (ik) en realist (de ander) elkaar bestreden hebben en nu, zonder dat we dat weten, last hebben van de na-effecten daarvan. Die gedachte zal volgens velen ook louter wishful thinking zijn, en dat brengt mij in de problemen. Is het wel of niet reëel dat ik dit denk? Heeft het zin dat ik in authentieke herinneringen ga zoeken naar vorige afleveringen van onze conflict-relatie, of projecteer ik alleen fantasieën in mijn door wishful thinking gebias’d conflict? Plat gezegd zoek ik alleen een vluchtweg, alibi’s en kutsmoezen om mij minder slecht voor te doen dan ik ben, of probeer ik serieus orde te scheppen in een reële ‘dimensie’ van onze relatie?

De onzekerheid daarover is al erg genoeg – nog erger is dat ik steeds meer ga denken dat het 100% mijn vrijheid is om voor de ene of de andere optie te kiezen. Dan wordt alles heel erg wazig. Dan vlucht ik naar een reëel ander domein. Volgende maand mag ik een internationaal engelstalig keuzevak filosofie geven: ‘Philosophy of science in general and the changing nature of human cognition in particular‘. De veranderende aard van de menselijke cognitie – dat geeft me weer moed.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

INGEHAALD DOOR TIJDGEEST. Mijmeringen over Rudolf Steiner, de antroposofie en ons zelf hier en nu. 5. God en de oerknal

‘t Was maar een klein kopje boven een kort berichtje in de krant van gisteren.

Strange bedfellows

‘Paus Franciscus: God en oerknal niet in tegenspraak’. Dat is nog eens nieuws! God, de paus en de big bang in één adem!Bien étonnnés de se trouver ensemble, zou je zeggen:strange bedfellows. Maar het stond er echt: ‘In een speech voor de wetenschappelijke academie van het Vaticaan heeft paus Franciscus afstand genomen van het creationisme, de vooral Amerikaanse stroming in het christendom die de evolutietheorie afwijst. Volgens de paus is de theorie van de oerknal niet in tegenspraak met het idee van een schepper. „Als we over de schepping lezen in Genesis, lopen we het risico dat we ons God voorstellen als een tovenaar met een toverstaf, die alles kan. Maar dat is niet zo”, zei Franciscus. „Evolutie in de natuur is niet in tegenstelling met de notie van schepping, omdat evolutie schepping inhoudt van wezens die zich ontwikkelen.” Het katholicisme heeft nooit zoveel afstand genomen van de evolutie als het evangelisch protestantisme in de VS. De uitspraak van de paus wordt gezien als een poging verschillen tussen de geloofsrichtingen te verkleinen.’

Verwarring

Roma locuta, causa finita, leerden wij vroeger. Als ‘Rome’ gesproken heeft, is de zaak gesloten. Evolutie is daarentegen zo ongeveer de meest open notie die een mens zich kan voorstellen. ‘Wat heb ik nou aan m’n fiets hangen?’, vraag ik me af. Dat is niet zomaar een loshangende vraag van een loslopende amateur-profeet die alsmaar aandacht vraagt voor het ei dat hij kwijt moet. Ik zou om te beginnen willen weten wat de paus werkelijk letterlijk gezegd heeft. Dat is onmogelijk te achterhalen. In cyberspace vliegen weliswaar allerlei versies en samenvattingen en commentaren rond, maar ik kan niet eens vinden of de paus zijn speech in het Engels (big bang) gehouden heeft, zoals je in het Vaticaan zou kunnen verwachten, of in het Latijn (clamor primordialis? Dat zou nog wat zijn, want in het woord clamor ligt besloten dat een levend wezen die ‘knal’ uitroept). Verwarring alom dus, en daar ligt een probleem want, volgens de waarheid komt eerder voort uit een vergissing dan uit verwarring: Truth emerges more readily from error than from confusion.” Maar daarom niet getreurd – integendeel. Mijn waarheid, de waarheid zoals ik die kan vatten, komt vaak eerder dan vanuit een vergissing, vanuit de verwarring waarin ik meestal verkeer bij mij binnen. Ik haal weer een mooie passage uit het boekje waar ik eerder uit citeerde:

Godsbewijs

De chemie geeft het eerste antwoord op de eerste vraag van de filosofie: ‘Waarom is er iets en niet veeleer niets?’ Op die vraag kan niemand een antwoord geven. Dat is ook niet de bedoeling. De vraag is alleen bedoeld om de mens in zijn denken op het idee te brengen dat er misschien echt zoiets bestaat als een Hoger Wezen, God of iets van die strekking. In die zin is die vraag door Leibniz (1646 – 1716) in de filosofie ingevoerd en later vooral door Heidegger (1889 –1976) opgepakt.

Zelf maak ik er dit van. Voor zover de mens toch altijd het onmogelijke probeert, en ik dus nu op die vraag toch een soort antwoord wil geven, wordt dat iets als dit: Ooit, lang vóór het begin der tijden, was er niets. Toen kwam, door oorzaken waarover we pas zullen kunnen beginnen na te denken nadat we eerst alle andere vragen zullen hebben beantwoord, een eerste ‘iets’. Tegelijk kwamen tijd en ruimte in de schepping: een tweede en een derde iets.

Dat mag onbegrijpelijk cryptisch klinken, maar het is goed gedocumenteerd in de aanhef van het eerste boek van de bijbel. Gecomprimeerd in woorden van een taal die intussen voor ons ontoegankelijk is geworden staat daar, in de eerste regel van Genesis, hier door mij in een primitieve spelling getranscribeerd: ‘Be resjiet bara Elohiem eet hasjamaim wê eet hâh aretz’. Dat wordt meestal vertaald met ‘In het begin schiep God hemel en aard’. In die vertaling zitten minstens twee fouten. ‘Bara’ betekent niet scheppen, maar scheiden, en Elohiem is meervoud. Hogere machten, die bestonden vóórdat tijd en ruimte ontstonden, deden iets en creëerden daarmee tegelijk de hemel, de aarde en de relatie, het spanningsveld, de wisselwerking tussen hemel en aarde. Sindsdien verloopt overal alles in drieën. Dat zal zo blijven tot het einde der tijden.

Zo ongeveer staat het ook in een voordracht van Steiner uit 1910, en ook wat dit betreft is het intussen ook in de wereld buiten de antroposofie ontdekt en gethematiseerd. Ik noteer dit hier als een van de vele momenten waar tot uitdrukking komt dat Steiner is, en nog steeds wordt, ingehaald door de tijdgeest. Ik overweeg ernstig een copie van dit bericht te sturen aan de Nederlandse Bisschoppenconferentie met het verzoek het door te sturen aan de bisschop van Rome.

Posted in Uncategorized | Leave a comment