Knuffels op de rijksweg

Dezer dagen doet zich in Nederland een opmerkelijk nieuw verschijnsel voor. Ik schreef er eerder over, en stelde een eigen naam voor: ‘Code MH17’,. Het USP, het Unique Selling Point ervan, datgene waar het in essentie om gaat, is een nieuw gevoel van hoe het is alsof overledenen nog in ons midden vertoeven. Zoiets is bij mijn weten hier nooit eerder voorgekomen.

Dezer dagen was er weer nieuws over. ‘Rijkswaterstaat heeft zondag zo’n 30 knuffels weggehaald langs de route Eindhoven-Hilversum’, meldt het nieuws. ‘Die zijn er de afgelopen dagen neergelegd door mensen die kwamen kijken naar de rouwstoeten. Vier keer reed een rouwstoet met slachtoffers van de vliegramp in Oekraïne over de A2 en de A27′.

 

Het is een niet te missen ‘teken des tijds’ voor een nieuwe waardering voor het kind, stel ik hierbij. Wat ik ermee bedoel, illustreer ik aan een bijbeltekst, Mattheus 18 om precies te zijn. Ik citeer:

 

‘Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel.’

 

De vertaling is aanvechtbaar. (1) ‘… verandert …’ is eigenlijk omwenden – in het Grieks ‘strephoo’. Sommige vertaling maken er ‘zich bekeert’ van – en in de zin van Omkeren zou dat geschikt zijn, maar in het gangbare Nederlands betekent ‘bekeren’ iets anders, dat hier niet geschikt is. (2) ‘… vernedert …’ is ook onbruikbaar. In het Grieks wordt het woord ‘tapeinos’ gebruikt. Dat betekent ‘deemoed’. Dat is iets anders.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Code MH 17

Dezer dagen doet zich in Nederland een opmerkelijk nieuw verschijnsel voor. Het verdient een eigen naam. ‘Code MH17’, stel ik hierbij voor. Het eerste moment waarop ik me ervan bewust werd was vrijdag 18 juli. In de media verschenen merkwaardig frequent de woorden ‘niet te bevatten’. Hoezo, ‘niet te bevatten’? Het was zeker een zeldzame en dramatische gebeurtenis, maar alsmaar de herhaling van die drie woorden zette me aan het denken. In de dagen daarna kwamen meer zulke momenten. In het NOS Achtuurjournaal sprak premier Rutte over de problemen in verband met de overbrenging van de stoffelijke resten van de inzittenden naar Nederland, en gebruikte daarbij de woorden ‘repatriëring van de slachtoffers’ en ‘wij willen onze mensen terug’. In de VN-Veiligheidsraad durfde minister Timmermans hardop uit te spreken hoe men zou moeten proberen zich voor te stellen hoe de inzittenden in het vliegtuig elkaars hand vasthielden tijdens de crash. ‘Stel u voor dat u hoort dat uw man was gedood, en dat u beelden ziet hoe een schurk de trouwring weghaalt van hun hand’, specificeerde hij ook. Woensdag 23 juli antwoordde reporter Kees van Dam op de vraag van de nieuwslezer in het Journaal wat de meeste indruk op hem gemaakt had bij de aankomst van het vliegtuig uit Charkov, dat dit het beeld was van hoe een aantal nabestaanden nadat alle kisten waren uitgeladen de afzetting waarachter ze hadden kunnen kijken doorbraken omdat ze even in het lege vliegtuig wilden kijken.

‘Code MH17’: drie momenten waarop heel Nederland kon meebeleven hoe het net was alsof die overledenen nog in ons midden waren. Zoiets is bij mijn weten hier nooit eerder voorgekomen.

Wie het vatten kan, die vatte het

Deze woorden komen uit een vertaling van Matth. 19:12 ‘Vatten’ is hier bedoeld als ‘begrijpen’. In het Grieks staat het niet precies zo. Daar staat ‘ὁ δυνάμενος χωρεῖν χωρείτω’. Het woord chorein dat hier gebruikt wordt, betekent iets als omvatten. Het verwijst concreet naar (de) ruimte, met alle aspecten van ruimte die tweeduizend jaar geleden leefden in de notie van ‘ruimte’ van de mensen van destijds.

‘Alleen wie al daadwerkelijk het eerste begin van wat hij wil vatten in zijn persoonlijke binnenruimte draagt, en binnen de ‘omvatting van zijn lichamelijkheid’, in zijn persoonlijke binnenwereld gewaar kan worden en zodoende enigszins kan begrijpen, kan het echt gaan vatten’, maak ik van deze bijbelwoorden. Een Engelse vertaling zegt het mijns inziens daarom beter: He that is able to receive it, let him receive it.

De stemming die door Nederland waart in deze dagen is een nieuw fenomeen in de geschiedenis, een nieuw historisch en futurisch ( stukjes 6 en 8) fenomeen. Daarom zijn er nog geen woorden om precies te karakteriseren wat het is, hoe het werkt. Ik geef de startpagina voor een eerste bladzij hierover:

In het begin was de logos, en de logos is mens geworden

en nu maakt de logos ons: een nieuwe aflevering

in de mythe van de Toren van Babel

Het is een uitbreiding, met Erweitering tot in de dimensie van het transcendente, van de fameuze uitspraak van Churchill op 10 mei 1940: First we shape our buildings, afterwards they shape us.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Voetvangers

 

Onlangs was ik weer eens in Erasmus MC. Van 1964 tot 2002 waren voor-voor-gangers van dat centrum mijn professionele werkplek; sindsdien was ik er nog maar sporadisch geweest. Ik kon dus heel wat veranderingen verwachten.

 

 

Die verwachting kwam uit, en meer dan dat. De op één na meest onverwachte verandering was de toegankelijkheid. Ik had eerst een bezoek gebracht in het Lloydkwartier, en dat ligt, zoals bekend, op loopafstand van het Land van Hoboken, de klassieke naam van het kwartier waar Erasmus MC gevestigd is.

 

 

Het begon allemaal goed, maar zodra ik bij de Parksluizen kwam liep het fout. Eerst hield het voetpad op, en omstreeks de inrit voor auto’s van de Maastunnel werd ook het fietspad onbereikbaar. Alleen tussen de tramrails, vaak over gras en modder, en af en toe levensgevaarlijk de snelweg overstekend bereikte ik zig-zaggend de Hobokense kant van de Westzeedijk. Daar vond ik een eerste toegang tot het complex Erasmus MC, en daar en toe werd ik geconfronteerd met de àllermeest onverwachte verandering in en om dit complex.

 

 

Dáárover schrijf ik een volgende keer. De titel van dat volgende stukje heb ik al: ‘Een nachtmerrie op klaarlichte dag’. Hier en nu wilde ik alvast dit even kwijt. De onmiddellijke aanleiding daartoe was een van de aardigste druk fouten die ik ooit in een tekst gezien heb. Hij staat in De Havenloods van vandaag. Onder de kop ‘Nieuw uiterlijk voor omgeving Erasmus MC’ stond deze onvergetelijk zin: ‘Meer groen, nieuwe zitgelegenheden, nieuwe rijstroken voor auto’s en fietsers en door bredere trottoirs meer ruimte voor voetvangers.’ Het staat er echt zo ‘voetVangers’. …

 

 

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Toekomstig besef volgens Robbert Dijkgraaf en reïncarnatie

 

‘We feliciteren onszelf graag met ons historische besef’, schrijft Robbert Dijkgraaf in zijn column ‘Toekomstig besef’, in de NRC van 10 mei 2014. Dat besef is ‘een recent verkregen gift’, specificeert hij. ‘Primitieve culturen keken slechts enkele generaties terug, berekeningen aan de hand van de Bijbel – onder andere door Sir Isaac Newton – dateerden de schepping rond het jaar 4000 v. Chr. Wij deinzen er nu niet voor terug om de geschiedenis van het leven, de aarde en het heelal in miljarden jaren te duiden. We kunnen er zelfs niet genoeg van krijgen en vragen ons af wat er vóór de oerknal was.’

 

 

Zo gaat hij door met een quasi-filosofische boutade

 

 

‘We vieren onze verre geschiedenis, maar leven in de waan van de nabije toekomst. Wat we gewonnen hebben in historisch besef, lijkt ten koste zijn te gaan van toekomstig besef. De tirannie van het nu regeert. Het is moeilijk een politiek onderwerp te noemen dat een houdbaarheid heeft van meer dan een jaar. Vaak is het na een week alweer van de voorpagina’s verdwenen. Bedrijven en organisaties kijken niet verder dan vijf jaar vooruit – er wordt wel gegrapt dat vijfjarenplannen de enige blijvende nalatenschap van het communisme zijn.’

 

 

Ik kwalificeer zijn verhaal als quasi-filosofisch omdat hij zomaar wat aanredeneert en op de vraag waar zijn redenatie in uitmondt hoegenaam geen materiaal voor een antwoord geeft. ‘Waarom kost het ons zo’n moeite ver vooruit te kijken, voorbij de horizon van ons eigen leven?’ vraagt hij, en als enige vervolg verwijst hij naar een ‘recent verschenen boek van Samuel Scheffler, Death and the Afterlife (2013)’.

 

 

Dat boek ‘werpt een interessant filosofisch (!) licht op deze vraag. Hij confronteert ons met een verontrustend gedachte-experiment. Stel dat we zeker zouden weten dat 30 dagen na onze eigen (in alle opzichten vredige) dood, de aarde vergaat, met alles en iedereen daarop.’

 

 

Dat is een lege vraag – ‘leeg in de zin van het Engelse void: als een vacuum, leger dan wij ons de leegte kunnen voorstellen. Ons hele bestaan ontleent zijn zin of, volgens sommigen, zijn zinloosheid, dat we dit niet zeker weten. We weten alleen praktisch zeker dat het nog wel enige tijd, ook na onze dood, door zal gaan.

 

 

Maar goed, ik ga even mee met dit lege gedachtenexperiment [voor zover het begrip ‘gedachtenexperiment’ op deze lege vraag van toepassing is]. Dijkgraaf knoopt er volgende vragen en speculaties aan vast. ‘Hoe zou deze kennis ons huidige leven beïnvloeden? Natuurlijk is de gedachte dat al onze geliefden verdoemd zijn al vreselijk genoeg. Maar dit scenario haalt op nog een andere manier de bodem onder ons bestaan weg. Want waarom zou je een medicijn tegen kanker zoeken, of een veilige brug ontwerpen, laat staan een roman schrijven, als er straks niemand meer is om te genezen, te vervoeren of te ontroeren?

 

Zo bezien is niet alles gemotiveerd door onmiddellijke voldoening en eigenbelang. Scheffler betoogt dat het lot van toekomstige generaties zwaarder weegt dan onze eigen bestaan. We zien graag dat ergens ooit iemand bewust is van onze nalatenschap, hoe klein en homeopathisch verdund die ook mag zijn. Maar als Scheffler gelijk heeft en we de gedachte van een einde der tijden 30 dagen na onze dood onacceptabel vinden, waarom accepteren we dan catastrofes over 30 duizend of 30 miljoen jaar?’

 

 

Ja, waarom? Waarom zijn de bananen krom? Dat laatste is per definitie een lege vraag; maar de waarom ik de column van Dijkgraaf ‘leeg’ noem, kan ik wel beantwoorden. Dat is omdat die vraag van hem en Scheffler alleen kan opkomen in een cultuur die geen benul heeft van reïncarnatie. Daar heeft onze Europese cultuur inderdaad geen benul van. Bij ons leven daarover alleen een ondergronds een paar agnostisch dichtgemetselde wazige noties, vergeven van vooroordelen, ongefundeerd wishful thinking en taboes.

 

 

‘Historisch besef geeft extra betekenis aan ons bestaan’, concludeert Dijkgraaf. ‘We voelen respect voor onze verre voorouders, hoe slecht we die ook kennen. … De wetenschap stelt ons in staat verder terug te kijken en ons evenzeer verbonden te voelen met de eerste microben die 4 miljard jaar geleden het leven zagen of de elementaire deeltjes die bijna 14 miljard jaar geleden in de oerknal ontstonden.’

 

 

En dan komt het: ‘De hoop is dat de wetenschap ons evenzeer dichterbij de verre toekomst kan brengen. Een beetje meer toekomstig besef kan duidelijk te maken hoe blijvend de impact is van alles wat we doen in het hier en nu, ten goede of ten kwade.’

 

 

Nee, dus. Dat kan de wetenschap per definitie niet.

 

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

WO I op de tv uitgelegd aan kinderen. Letterlijk waanzin in ‘t kwadraat.

De Eerste Wereldoorlog is actueel in de media. De honderdjarige herdenking is een goede aanleiding voor bezinning. Baanbrekend nieuwe inzichten levert dat nauwelijks op. Wel komt er steeds meer besef van de waanzin die toen endemisch in Europa woedde.

Zondag 6 april 18.55 – 19.20 had ZAPP op Ned. 3 er een uitzending over: ‘De moeilijke oorlog’. Daarin werd de Eerste Wereldoorlog uitgelegd aan kinderen vanaf 6 jaar. Ik noem dat letterlijk waanzin in ‘t kwadraat. NIEMAND begrijpt hoe dat kon gebeuren. Om in een kinderprogramma te doen alsof je dat wel kunt begrijpen, valt volgens mij onder geestelijke kindermishandeling.

Ter documentatie refereer ik een van de auteurs op dit terrein: Christopher Clark (1960). Hij is op een speciale manier een heel klein beetje ervaringsdeskundig. Een oud-oom van hem nam in 1916 vrijwillig dienst in het Australische leger en vocht in 1917 mee in Passchendaele II. Omstreeks 1970 had de jonge Christopher een gesprek met zijn oud-oom. Clark publiceerde in 2012 een boek over WO I, ‘The Sleepwalkers – How Europe Went to War in 1914’; een Penguin- editie is nu al voor een habbekrats beschikbaar.

Minstens vijf thema’s maken het boek waardevol. Ik vat samen:

1) De geschiedschrijving over WO I komt in een steeds sterkere stroomversnelling. Er zijn nu al zoveel teksten en historische documenten in zoveel verschillende talen, dat één deskundige ze bij lange na niet allemaal kan lezen.

2) Ook kwalitatief is er een onoplosbaar probleem. Heel veel van alle beschikbare teksten waren uitdrukkelijk niet bedoeld voor waarheidsvinding maar alleen om het eigen blazoen schoon te poetsen en de andere partij de schuld in de schoenen te schuiven. Daardoor zijn ze in meer of minder ernstige mate vervuild door partijdige vertekeningen.

3) Op een heel andere manier is er een kwalitatief- kwantitatief probleem: veel van de actief betrokkenen hebben destijds met of zonder opzet en in het eerste geval vanuit zeer verschillende motieven, niet op papier gezet, vaak niet eens hardop uitgesproken wat in hen omging, laat staan wat ze gedaan en gezegd hebben.

Onder deze voorbehouden is het boek van Clark een onmisbare bijdrage. Ik noem nog twee thema’s:

4) Hij legt op grond van recent eigen onderzoek veel meer de nadruk op de voorgeschiedenis van WO I vanaf eind 19e eeuw in Centraal- Europa. Met name geeft hij veel aandacht aan de vele fundamentalistisch-ideologisch gemotiveerde, deels ook occult geïnspireerde revolutionaire en terroristische groepen in Servië en elders op de Balkan. Vele daarvan hadden min of meer hechte banden met overheden, regeringen, en met individuele personen in die gremia. Vooral daarin ziet hij een levensgevaarlijke gelijkenis met de internationale politieke situatie nu. Grote aantallen dolende zielen, opgehitst door quasi-religieuze haatpredikers, verslaafd aan aanbidding van het als heroïsch beleefde verleden en bezeten van het verlangen om die vermeende grootheid te doen herleven – dat herkennen we… Dat motief inspireerde mij tot de titel van dit stukje.

5) Zoals wel meer eigentijdse historici concludeert Clark dat niet één partij hoofdzakelijk de schuld draagt. Veeleer was sprake van een collectief beneveld bewustzijn in Europa. Daardoor kon een kleine kongsi criminele oorlogshitsers in alle betrokken landen de waanzin ontketenen. Ook dat herken ik. Twee auteurs van langer geleden, Thomas Mann en Arthur Conan Doyle, hebben er al over geschreven; Clark noemt ze helaas niet. De titel van zijn boek brengt dit motief beeldend in herinnering.

Televisiemakers die dit aan kinderen aanbieden zijn geen slaapwandelaars maar opereren vanuit een zeer diep geestelijk coma.

Zie ook http://www.desteronline.nl/laatste-herfst-europa/

Posted in Uncategorized | Leave a comment

‘Een universiteit is steeds minder een plek waar je vrij kunt nadenken’

De titel van deze post is dezelfde als die van een tekst van Margriet van der Heijden in het katern Wetenschap van de NRC Handelsblad van 29 maart. Hij begint met een gedenkwaardig citaat:
‘De beste definitie van een universiteit die ik kan bedenken is dat het een centrum is van onafhankelijk denken. Zulke centra zijn onmisbaar voor de vooruitgang, en zelfs voor de veiligheid van elke samenleving.”
Margriet van der Heijden licht vervolgens toe: ‘Dat schreef in 1951 Robert Hutchins, filosoof en rector magnificus van de universiteit van Chicago. Het was de begintijd van de Koude Oorlog tussen het vrije Westen en de Sovjet-Unie en in de VS voerde senator Joseph McCarthy een kruistocht tegen het communisme. Hoogleraren met mogelijke communistische sympathieën werden monddood gemaakt, verloren soms hun positie.
Zo is het al lang niet meer: hoogleraren worden niet gecensureerd. Maar de definitie van een universiteit die Hutchins destijds formuleerde in het wetenschappelijk tijdschrift Ethics is nog steeds actueel …’
In de rest van de tekst is vooral Ingrid Robeyns aan het woord. Zij is opgeleid als econoom en filosoof, is hoogleraar ethics of institutions in Utrecht en leidt de afdeling ethiek van de Nederlandse Onderzoeksschool voor Wijsbegeerte, en zij is, wat niet in de tekst van Margriet van der Heijden staat, hoogleraar in de praktische wijsbegeerte in onze Erasmus Universiteit.
„Ik wil zeker niet zeggen dat het vrije, onafhankelijke denken gevaar loopt. Maar het treft me dat deze kerntaak van universiteiten – het bieden van een plek waar mensen in coöperatie vrij en onafhankelijk kunnen denken – in de discussie over het wetenschapsbeleid amper aan bod komt.”De discussie gaat sindsdien over praktische kwesties, zegt Robeyns. „Moeten we meer geld overhevelen van de eerste geldstroom, vaste budgetten voor universiteiten, naar de tweede geldstroom, competitie om onderzoeksgelden? Hoe krijgen we meer aansluiting bij de door de Europese Unie gedefinieerde onderzoeksthema’s om zo meer geld uit Europa binnen te halen?”
Daarachter schuilt het idee dat een wetenschapsagenda van bovenaf bedacht kan worden, zegt zij. „En dat lijkt me een fundamentele verandering van de visie op wat een universiteit is. Een universiteit is iets heel anders dan een kennisinstelling als bijvoorbeeld TNO die technisch-wetenschappelijke inzichten vertaalt naar praktische maatschappelijke toepassingen.”
Robeyns’ zorg is dat men nu toch probeert een homogeen wetenschapsbeleid uit te stippelen voor onderzoeksinstellingen én universiteiten. „En dat gaat voorbij aan die fundamentele rol van universiteiten als centrum voor kritisch en onafhankelijk nadenken. Met onderzoekers die niet buigen voor externe invloeden en voor wensen van financiers, maar die de waarheid zoeken, of in elk geval proberen de waarheid te benaderen.”
Een mooi toeval maakt dat net dezelfde dag een boekje is verschenen dat ik met medewerking van filosoof Han van Ruler en psycholoog Wim Pouw heb geschreven, dat via via over dit probleem gaat. Ik copieer de flaptekst met enkele aanvullingen:
Hugo Verbrugh, met medewerking van Han van Ruler en Wim Pouw
De naam van het probleem – Pierre Abélard en het geheim van het ProbleemGestuurd Onderwijs
Met een voorwoord van Henk Schmidt
1e druk 2014
Uitgeversmaatschappij Ad. Donker bv, Rotterdam ISBN 978 90 6100 687 9

ProbleemGestuurd Onderwijs, PGO, is een van de grote vernieuwingsmomenten in het onderwijs. Studenten die willen leren volgens PGO vatten een probleem aan en werken daar samen aan. De docent kiest de problemen, draagt materiaal aan, begeleidt, adviseert, ‘stuurt’.
In een actuele variant van PGO stuurt niet de docent, maar doen de studenten zelf dat. Ook bepalen ze zelf in welke richting ze gaan en wat ze aan de problemen willen leren.

PGO is thans wereldwijd populair. Onder andere namen is het al heel oud. Een bijzondere voorloper was Pierre Abélard (1197 – 1242), filosoof, theoloog en bevlogen docent. Hij is de sleutelfiguur in de grote controverse die in zijn tijd woedde over de vraag hoe de mens tot algemene kennis en begrip komt, de zogeheten universaliënstrijd.

Het boek geeft een nieuwe analyse van leven en werk van Abélard. Hij brengt aan het licht hoe Abélard zijn tijd acht eeuwen vooruit was, en nu een actuele bijdrage kan geven aan het debat over onderwijs. Abélard stelt dat de taal en het levende gesprek essentieel zijn in het proces van kennisverwerving en gezamenlijke kennisverwerking. Daarmee is Abélard een zeldzaam originele figuur in de geschiedenis van de avant garde.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Naar de papierversnipperaar

 

Volgende week zijn de gemeenteraadsverkiezingen, en die verdienen veel aandacht. Dit zou een worden over de Libertaire Partij, Lijst 13 in Rotterdam. Om twee redenen gaat dat onverwacht een beetje anders.

De eerste reden is dat mijn speciale interesse in die partij ietwat aan ‘t verdampen is. Vorige week schreef ik elders over een eerste gesprek dat ik onlangs had met een van de kandidaten op deze Lijst 13. In wat hij over de libertariërs vertelde, bespeurde ik enige gelijkenis met de antroposofen, met wie ik mij zo verwant voel. Vooral dàt motiveerde mij om erover door te gaan. Intussen is die motivatie ietwat bekoeld. Mijn zegspersoon voert actief campagne en stuurde mij een prachtige foto van hoe hij dat doet. Zijn commentaar erbij was schokkend: ‘Van mijn mede Libertariërs heb ik nog niets gehoord, vreemd genoeg. ‘t Lijkt er een beetje op dat hoe serieuzer het wordt, hoe minder ze reageren… ‘. Dat klopt met wat ik zelf van ze merk: totaal niets. Ja, kom nou! Dan houd ik het ook voor gezien.

De tweede reden waarom het deze week een beetje anders gaat is een speciaal item in de Boekenweek die intussen van start gegaan is: het zogenoemde boekenweekgeschenk. Dat is dit jaar geschreven door Tommy Wieringa. Die naam ken ik. Op 14 mei 2009 trad die op bij Pauw & Witteman naar aanleiding van zijn roman ‘Cesarion’. In die uitzending en door Wieringa in die tijd ook op andere plaatsen is de antroposofie op een manier in de publiciteit gebracht zoals ik zelden meegemaakt heb.

Ik citeer uit een recensie: ‘Wieringa volgde Steiner-onderwijs, hij weet waarover hij spreekt. “Ik vind dat antroposofisch onderwijs verboden moet worden. Het is een ten diepste racistische ideologie die teruggaat op esoterische theorieën over licht en duisternis. Dat gedachtegoed is tevoorschijn gekomen uit de Oostenrijks-Hongaarse wouden en moet daarnaar terug. In de antroposofische geneeskunde gebeurt het dat een dokter een patiënt met kanker weigert door te sturen naar een ziekenhuis, volhoudend dat het maar een ontsteking is. Krijg je een homeopathisch pilletje tegen iets wat kanker is. Ze spelen met de levens van mensen. … Ik geef meteen toe dat het Steiner-onderwijs ook voordelen heeft. … Op mijn twaalfde maakte ik bloeiende vulva’s uit zacht vurenhout. Dat zijn nuttige vaardigheden voor in het latere leven.” Grijns.’

Tot zover citaat uit de recensie. De titel van Wieringa’s boek voor de Boekenweek is ‘Een mooie jonge vrouw’. Zou daarin iets doorklinken van Wieringa’s werk met zacht vurenhout?

Intussen heeft Wieringa in Nederland de reputatie van een van de top-tien schrijvers die je moet kennen en waarderen als je erbij wilt horen. Dat zegt iets over de reputatie van de antroposofie in Nederland. Wie echt iets weet van antroposofie krijgt in de algemene waardering voor het werk van Wieringa steun voor zijn vermoeden het streven om énige juiste informatie over de antroposofie in de publiciteit te krijgen gedoemd is te mislukken. Zelfs de libertarërs schrikken ervoor terug – zie boven. Dat aan iemand die zó over de antroposofie oordeelt de eer te beurt viel het boekenweekgeschenk te mogen schrijven spreekt letterlijk boekdelen.

Gelukkig kan ik met een vrolijke nood eindigen. Omdat Polare failliet is kan de organisatie van de Boekenweek een groot deel van de oplage van het boekenweekgeschenk meteen doorsturen naar de papierversnipperaar.

Bij de illustratie: de titel van Wieringa’s boek is ‘Een mooie jonge vrouw’.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Antroposofie tussen de regels door in de krant

Maandag 24 februari had Maxim Februari in de NRC een column onder de titel ‘Koel en afstandelijk’. Het gaat over de manier waarop wij tegenwoordig omgaan met verlokkingen, verleidingen en ander ongerief. De laatste alinea inspireert mij tot een aanvullend weerwoord. Ik citeer en schrijf de woorden waar het mij om gaat IN KAPITAAL:

Van alle kanten word je genudged, gemonitord, geprikkeld, geprovoceerd en geïnformeerd. Je moet alles zien, vertellen en weten. Je mag alleen nooit op iets reageren. Tot gek makens toe krijg je nieuws over een pedofiele zwemleraar, rechtbankverslagen, duidingen van niet behandelende psychiaters, irrelevante meningen van officials in talkshows, plechtige mededelingen over des pedofiels woonplaats. Dat moet je allemaal weten, want je hebt het recht, nee, de plicht dat te weten. Maar als je er dan toevallig naast blijkt te wonen, mag je daar niet onrustig van worden. DAN BEN JE MIDDELEEUWS, LEES IK, BARBAARS EN HEB JE LAST VAN ONDERBUIKGEVOEL.

Wat is er eigenlijk mis met gevoel? Geen gevoel hebben lijkt me erger. Natuurlijk eist de beschaving dat je je driften in toom houdt, maar soms is de overprikkeling zo groot dat reacties worden ontketend in mensen die … ‘een ontvankelijke persoonlijkheid hebben’. DAT IS NIET MIDDELEEUWS. DAT IS MEER EN MEER EIGENTIJDS.

Mijn weerwoord is tweeledig.

(1) De Nederlandse filosoof Stephan Strasser (1905 1991) heeft een indeling gegeven van de manier waarop de mens in zijn leven waarneemt en denkt. Hij spreekt van drie ‘kenhoudingen’: de archaïsch-mythische, de wetenschappelijke en de wijsgerige kenhouding. De leefwereld van het kleine kind is archaïsch-mythisch. De naar buiten toe vaak zelfverzekerde adolescent en de jong-volwassene vinden hun houvast in de zekerheden van de wetenschap. Pas gaandeweg komen, als alles goed gaat, het verlangen naar filosofisch inzicht en de geneigdheid tot grensverleggend denken.

Volgens Strasser kunnen de kenhoudingen niet gecombineerd worden. Daar heeft hij wel gelijk in, maar iets dat lijkt op ‘combineren’ is wel aan de orde. Alles in het leven is een zaak van ritme en polariteiten. ‘Ritme’ houdt in dat allerlei thema’s en motieven telkens herhaald worden en terugkomen, ‘polariteit’ houdt in dat iets van de ene kenhouding altijd in de andere leeft.

Als ik ritme en polariteit in verband breng met de kenhoudingen van Strasser, constateer ik bijvoorbeeld hoe de volwassene die niet af toe het kind in zich zelf laat spreken, iets mist. Ik ben ook niet de enige die dat zegt Het is helemaal in overeenstemming met de tekst volgens Matth. 18:3 in het op afstand meestgelezen boek ter wereld: ‘Indien gij niet wederom wordt als de kinderen, zult gij het Rijk der hemelen nooit binnengaan.’

Ritme en polariteit werken het hele leven door, altijd en overal. Het kleine kind manifesteert soms flarden van opmerkelijk filosofisch inzicht en heeft wel degelijk ook enig praktisch-wetenschappelijk benul. De (jong) volwassene die zich beschouwt als modern mens en zijn plaats in het leven helemaal gevonden meent te hebben, doet er goed aan af en toe ook enige kinderlijke onbevangenheid in zich zelf te mobiliseren. Evenzo hebben de ‘senioren’ oftewel bejaarden niet het monopolie op de wijsgerige kenhouding en grensverleggend denken.

(2) In ruimere zin geeft de antroposofie een specifiek eigen smaak aan het historisch besef in de geschiedenis van Europa. Om dit verleden te illustreren volg ik de geijkte indeling van de geschiedenis in de drie bekende perioden:

(1) oudheid en Middeleeuwen, circa 600 vC tot omstreeks 1600,

(2) de moderne tijd, vanaf circa 1600 tot omstreeks 1900, en

(3) deze, onze tijd inclusief de toekomst.

Deze indeling van de geschiedenis geeft ook de inspiratie voor de opvoeding en het onderwijs in de Vrije School. Deze geschiedenis doorleeft ieder mens in miniatuur, zo leert het mensbeeld van de antroposofie. Volgens dit mensbeeld leeft de mens in de loop van zijn leven achtereenvolgens in drie grondstemmingen. De vaktermen hiervoor zijn

  1. gewaarwordingsziel,

  2. verstands- gemoedsziel, en

  3. bewustzijnsziel.

Ze zijn gemakkelijk te herkennen. De peuter, kleuter en het kind tot ongeveer 14 jaar leeft helemaal in wat het direct meemaakt en ervaart, wat het ‘gewaar wordt’. Pas met de puberteit begint het zelfstandig nadenken. Rationeel redeneren en meer of minder bewuste gevoelens inspireren het jonge mens om ‘nee’ te zeggen, alles beter te weten, zich af te zetten tegen opvoeders en leermeesters en zijn eigen weg te zoeken. In de loop van de volwassenwording leert de mens hier flexibel mee om te gaan. Al dan niet na een of meer ‘mid-life’ crises wordt ten slotte, als alles goed gaat, ieder mens op rijpere leeftijd een beetje filosoof. Het is in veel opzichten dezelfde indeling als die van Strasser.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De gemeenteraadsverkiezingen (1): De Libertarische Partij

Er was eens een psycholoog die zo streng-wetenschappelijk als mogelijk het gedrag van mensen wilde onderzoeken. Dat kan alleen door experimenten te doen. Met mensen kan dat niet echt goed; dat is ethisch niet verantwoord. Daarom zette hij een experiment met dieren op. Hij nam twee vossen en een kip en instrueerde deze drie [een oneven getal!] dieren zó, dat ze samen democratisch moesten beslissen wat ze op het menu van hun avondmaaltijd zouden zetten.

De wereldberoemde Nederlandse psycholoog Diederik Stapel zou de uitkomst vooraf geweten hebben, maar deze aanhef van mijn stukje is niet bedoeld als jokkernij. Het is bloedserieus. In de dagen dat ik dit stukje schrijf zindert door Nederland dat VVD en PvdA samen in de Tweede Kamer evenveel zetels zouden hebben als de PVV: 2 x 30 van de 150. Tel uit je winst.

Over twee weken en één dag zijn in dit land de gemeenteraadsverkiezingen. Daar zal een ander verhaal verteld worden dan op 12 september 2012 toen wij de Tweede Kamer mochten samenstellen – maar intussen …

Intussen zijn we anderhalf jaar verder en bieden die gemeenteraadsverkiezingen een … – ja wat bieden die eigenlijk?

Voor mij bieden ze een uitgelezen gelegenheid om kenbaar te maken dat in de afgelopen iets nieuws is gebeurd dat misschien uitzicht biedt op de echte veranderingen die nu nodig zijn. Ik bedoel de komst in het Nederlandse politieke landschap van de Libertarische Partij. Die doet in een aantal gemeenten mee; in Rotterdam is ze lijst 13. Ik ga op ze stemmen, en ik ga in de rest van dit stukje waaròm.

Eenvoudig is dat niet. De parabel van de psycholoog en de drie dieren in de aanhef van dit stukje mag wetenschappelijk-psychologisch op z’n best leerzame onzin zijn – in de politiek is de boodschap die hij brengt keiharde realiteit. Dat leert althans de Libertaire Partij. De gangbare democratische procedures zoals wij die nu kennen leiden alleen tot nog meer rampspoed en ellende.

Dat is duidelijke taal. Helemaal niet duidelijk wat de Libertarische Partij dan wèl wil. Een eerste surf-expeditie levert ongebruikelijke en moeilijk te duiden aanbevelingen op:
LP Rotterdam: ‘Gemeentes moeten Bitcoin accepteren als betaalmiddel’.
LP Amsterdam: ‘Illegaal verkregen (meta-)data moeten vernietigd worden’.
De LP afdeling Den Haag ‘start opzegservice VVD-lidmaatschap’.

Een eerste gesprek dat ik onlangs had met een van de personen op Lijst 13 bracht mij een klein eindje verder. Wat ik geleerd heb, kan ik in drie punten samenvatten.

(1) De Libertariërs beschouwen zich zelf als de echte liberalen. Vrijheid gaat boven alles. Dat is natuurlijk een voortreffelijk idee. Maar als een onvermijdelijk défaut de sa qualité, gebrek van hun voortreffelijkheid, zijn ze het – vooralsnog hopeloos, althans hopeloos aandoende – wijze met elkaar oneens.
(2) Als logisch gevolg van punt (1) gaan de Libertariërs in hun debatten over de grondslagen van hun partij terug tot de grondslagen van niet alleen het politicologisch denken maar van alle filosofie, van alles wat zich laat denken, van alles wat we cognitie noemen. Dat doet mij goed.
(3) Mijn gesprekspartner noemde de subcultuur van de hippies uit de jaren 60 als min of meer verwante stroming. Dat deed mij nog meer goed, want via die lijn bespeur ik enige gelijkenis met de antroposofen, met wie ik mij zo verwant voel.

Posted in Uncategorized | 8 Comments

Romantische herinneringen

‘De taal van de romantiek zindert door postmodern ultrarechts’, schijft Bas Heijne vandaag in zijn zaterdagse column in de NRC H. Hij ontleent zijn argumenten aan de persconferentie die Marine Le Pen en Geert Wilders gaven om hun samenwerking in Europees verband aan te kondigen. Wilders sprak van een „historische dag”. Een nieuwe dageraad naakte. „De bevrijding van de elite van Europa begint vandaag. De bevrijding van het monster uit Europa.” Marine Le Pen zag de samenwerking als een nieuw verbond van „patriotten”.
Historisch, bevrijding, monster, patriotten, soevereiniteit – … we zijn terug in de vroege negentiende eeuw.

Toen werd inderdaad de romantiek populair. Maar wat IS romantiek eigenlijk Ik heb persoonlijke ervaringen met die vraag die ik hier wil samenvatten

In de herfst van 1945, direct na de Tweede Wereldoorlog verbleef ik een half jaar in Zwitserland – in een dorpje genaamd Ligerz. Dat ligt op de hellingen van de Bielersee, het meer van Biel/Bienne (de enige stad in Zwitserland die officieel een tweetalige naam heeft). Ligerz ligt op de grens tussen het Duits- en het Franstalige deel van die streek. Mijn grootouders woonden daar, en ik ging daar met de andere dorpskinderen naar de lagere school. Een kilometer of zo naar het westen woonden andere familieleden, in La Neuveville. Daar kwam ik geregeld. Zo werd het voor mij een alledaagse ervaring dat aan weerszijden van die grens twee talen werden gesproken. En omdat ik er nadien nog vele malen terug geweest ben en er ook nu nog af en toe kom, werd die Frans-Duitse samenhang bijna een beetje een soort deel van mijn leven.

Vele jaren later leerde ik het werk kennen van de Frans-Zwitserse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778). In de loop van zijn veel bewogen leven woonde hij in 1765 twee maanden op het Île de St Pierre, de Petersinsel, een (schier)eiland in het Lac de Bienne. Daar maakte hij veel wandelingen, en wat in zijn gemoed door hem heen ging schreef hij op de ‘Dromerijen van de eenzame wandelaar’, de Rêveries du promeneur solitaire. In de vijfde van die dromerijen noteert hij dat hij de oevers van het meer van Biel veel ‘romantischer’ vindt dan die van het meer van Genève, die hij van huis uit goed kende.

Volgens velen, en ik ben een van hen, is dit de eerste vermelding van het woord ‘romantisch’ die, om het zo te zeggen, ‘school gemaakt heeft’. Weliswaar heeft een mij verder niet bekende doorwrochte glossofiel (= liefhebber van taalonderzoek), Hans Eichner in 1972, uitgevogeld dat in andere teksten woorden als ‘romantisch’ en ‘romantic’ al vanaf 1650 voorkwam, maar dat zijn reconstructies achteraf. Rousseau heeft de kwalificatie ‘romantisch’ uitgevonden en dat heeft hij gedaan op de Frans-Duitse taalgrens in Zwitserland. Dat is een historisch feit dat mij zeer aanspreekt.

Dit stukje is nogal persoonlijk – het is bijna een ego-document. Maar ik bedoel het vooral heel zakelijk. Als we aan ‘romantiek’ denken, gaan bij de meeste mensen de gedachten naar Duitsland. ‘Daar waar je niet bent, daar is het geluk’ – zulke verzuchtingen herinnert een mens zich dan. In een plattere verwoording laat Marten Toonder in een Tom Poes verhaal schilder Terpen Tijn, toch zeker een romantische kunstenaar, tegen leerling-schilder Wammes Waggel zeggen ‘Je moet uitdrukken wat je voelt’. Dat is een mooi-romantisch advies, toch? Het antwoord van Wammes verwijst stiekem-trefzeker naar wat ik zakelijk in dit stukje wil zeggen: ‘Dat zou een reuze vieze boel worden’.

Romantiek kan inderdaad heel anders uitpakken dan in romantische verzuchtingen en herinneringen. Verschillende auteurs, onder andere Rüdiger Safranski, Isaiah Berlin en Eric Voegelin, hebben gesteld dat een historische lijn van de romantiek leidt naar de Duitse zelfverheffing (Überheblichkeit) en vandaar naar de drie oorlogen waarin Duitsland in beide vorige eeuwen verwikkeld was. Die stelling zal wel weer aan de orde komen als we volgend jaar ‘1914’ gaan herdenken. Daarom leek het me goed er even aan te herinneren dat het woord ‘romantisch’ in de Europese cultuur is geïntroduceerd door een Frans-Zwitserse filosoof. En het commentaar van Bas Heijne inspireerde me om het ook alvast hier te ventileren.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , | 2 Comments