Bedrog, zelfbedrog en ‘zelfbedrog met voorbedachten rade’ in de wetenschap

Eind vorig jaar kwam het opeens in het nieuws: fraude in de wetenschap. Psycholoog Stapel in Tilburg, medicus Poldermans in Rotterdam – het werd terecht wereldnieuws. Als je de wetenschap niet meer kunt vertrouwen, is het einde zoek.

Dit weekeinde had de NRC H’blad twee pagina’s daarover.

‘We wilden weten hoe vaak het nou eigenlijk voorkomt, wetenschappelijke fraude en misleiding, en hoe universiteiten het bestrijden,’ schrijven Karel Berkhout en Esther Rosenberg. ‘Niemand wist nog hoe vaak fraude voorkwam. Een eerste inventarisatie is er nu, nadat alle universiteiten reageerden op een vragenlijst die deze krant ze stuurde. De universiteiten blijken sinds 2005 in totaal 102 meldingen te hebben behandeld, waarvan er zeker 27 gegrond zijn verklaard. … Opvallend in de enquête zijn de grote verschillen per universiteit. Tegenover zo’n dertig meldingen in Utrecht, staat – tot aan de zaak Stapel – geen enkele melding in Tilburg, twee meldingen in Eindhoven en twee in Delft.’

Wetenschappelijk bedrog bestaat, net als alle bedrog, in soorten en maten. Een variant die in het NRC H artikel alleen tussen de regels door even genoemd wordt is zelfbedrog: “Iemand komt in tijdnood, knipt en plakt wat teksten bij elkaar en vergeet welke tekst van hemzelf is en welke niet. Dit soort knip- en plakwerk is makkelijker dan voorheen.”

Een subvariant hiervan is zelfbedrog met voorbedachten rade. Deze uitdrukking heb ik vorig jaar zelf bedacht. Aanleiding was wat me overkwam nadat ik op 14 mei een voordracht over antroposofie had gehouden op de Vrijdenkersdag van van de Atheïstisch-Humanistische Vereniging De Vrije Gedachte.

Het hoogtepunt van mijn lezing aldaar was de conclusie van een deelnemer aan het slot. ‘Het is een schande dat u als antroposoof aan de universiteit als filosoof mag werken!’ riep hij boos.

Even had ik toen geen tekst. ‘De boudheid van uw stelling wordt slechts overtroffen door de poverheid van uw argumentatie,’ kwam in mij op, en ik stelde hem voor dat we bij de borrel nog even zouden napraten.

Dat deden we. Hij bleek Floris van den Berg te heten, filosoof van professie, verbonden aan de Universiteit Utrecht. Ons korte gesprek leidde tot een intensieve mail-correspondentie.

Een hoogst opmerkelijk oordeel kwam in die correspondentie tot uiting. Van den Berg vindt, in zijn eigen woorden, ‘de antroposofie te onbelangrijk, te onzinnig en te dwaas om daar (zijn) tijd aan te besteden’. Hij had nimmer iets gelezen van Steiner en was ook niet van plan dat ooit te doen.

Dat oordeel en de uitdrukkelijke afwezigheid van onderbouwing riepen bij mij natuurlijk de vraag op waarom het bestuur dit onderwerp dan op de agenda had gezet. Het antwoord op die vraag was verrassend. Het bestuur bleek mij te hebben uitgenodigd om mij in het openbaar te laten bewijzen dat ‘… een analytische discussie met jou niet mogelijk is omdat je – zoals alle gelovigen – [je] onttrekt aan de regels van de rede en redelijkheid’. Met mijn spreekbeurt had met name vice-voorzitter Van den Berg ook alleen ‘een soort “freakshow” willen opzetten, een kermisattractie waar het publiek mag komen lachen om psychiatrische patiënten of anderszins mentaal gehandicapte mensen’.

Een opzet van deze strekking is een nieuw fenomeen. Een dergelijke benadering van de antroposofie ben ik nooit eerder ergens tegengekomen. Leerzaam is het in hoge mate. In de ongeveer halve eeuw dat ik in de wetenschap en de universiteit in Nederland meedoe, heb ik een werkwijze en redenering als Floris van den Berg hier expliciet verantwoordt niet eerder meegemaakt. Hij vertoont een niet eerder vertoonde combinatie van (1) onwetendheid, (2) onwil tot weten, (3) abjecte totaal-kritiek op het object van zijn onwetendheid, (4) een nieuwe, extreme variant van de al vanaf de oudheid bekende vorm van kritiek ’ad hominem’ en (5) een psychopathologisch aandoende zelfgenoegzaamheid. Hij is, kortom, een nieuwe variant van bedrog in de wetenschap, en die verdient een nieuwe eigen naam. Wij wachten met belangstelling hoe het hem verder zal vergaan.

Lees verder in (http://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=1792).

De esoterische dubbelganger van de tijdgeest vernietigt het midden door alleen nog extremen toe te laten.

Er staat een wonderlijk mooi-interessant artikel in de NRC H van dit weekeinde. Af en toe is het een beetje onbegrijpelijk, maar omdat het artikel als geheel over iets baanbrekend nieuws gaat, werken die mini-onbegrijpelijkheidjes alleen als een soort knoflook in het gerecht. Het artikel stimuleert op een uitzonderlijke manier tot na- en mee-denken.

Anouk van Kampen en Jan Truijens Martinez, cum laude afgestudeerd in de kunstgeschiedenis resp literatuurwetenschap, schrijven over het verlies van het midden op alle fronten. De moderne tijdgeest wil alleen nog extremen, erkent alleen nog winnaars en losers.

‘Ruim voldoende – We moeten goed zingen en schrijven, of juist heel slecht’ , het het, en het gaat over de cultuuromslag die in deze tijd gaande is.

Die cultuur-omslag is ‘is het te lijf gaan van de vermeende zesjescultuur – de instelling waarbij niet tot het uiterste wordt gegaan, omdat het ook zonder topprestatie prima gaat. De zesjesmentaliteit is een hang naar middelmatigheid. Deze moet worden tegengegaan door concurrentie, discipline en ambitie, ongeacht of het koken, studeren of sporten betreft.
In het nieuwste seizoen van het inmiddels overbekende Oh Oh Cherso mogen de acht Hagenezen als echte juryleden nieuwe castleden uitkiezen. In 2010 keek een miljoenenpubliek nog vol verbazing naar een groepje jongeren dat weinig andere bezigheden leek te hebben dan te veel drinken en zo schaamteloos en ordinair mogelijk op televisie verschijnen. Een jaar later zijn ze niet alleen dusdanig ‘normaal’ geworden dat de kijkcijfers drastisch zijn gedaald, maar ze zijn ook zo succesvol geworden dat ze worden geacht te functioneren als een serieuze jury die kan inschatten of de nieuwe feestvrienden goed genoeg zijn. Zelfs binnen een categorie die sommigen als verderfelijke televisie bestempelen, waarvan anderen zich afvragen of ‘dom zijn’ de enige manier is om bekend te worden, en die anderen simpelweg bewonderen, blijkt er een ‘goed slecht’ en ‘slecht slecht’ te zijn. Sommige kandidaten vinden de juryleden toch te saai, te gereserveerd, te vreemd of simpelweg niet raar genoeg.
Een jury bestaande uit leden die alleen een graad in ‘feesten’ bezitten, lijkt het tegenovergestelde van een prestatiemaatschappij met een afkeer van de zesjescultuur, maar ook Oh Oh Cherso vloeit hieruit voort. De manier waarop we kijken naar prestatie is dezelfde als die waarmee we de Hagenezen en anderen bekijken. We zijn niet slechts doordrongen van het feit dat we moeten presteren, maar vooral van het idee dat we elke dag moeten bewijzen hoe bijzonder we zijn. Politici met een angst voor de zesjescultuur en talentenjachten hebben met elkaar de angst voor de middenmoot gemeen. Dit betekent aandacht voor degene die goed presteert, maar ook voor degene die slecht presteert. Zo zien we in So You Think You Can Dance bij de audities slechts twee soorten kandidaten – de slechtste en de beste. Aan Oh Oh Cherso mogen alleen de besten van de slechtsten meedoen.
De prestatiemaatschappij en de ‘castingmaatschappij’ hebben gemeen dat ze aandacht hebben voor degene die bijzonder is in wat hij of zij doet – voor degene die kan uitblinken. Wie aardig kan zingen, maar geen nieuwe Adele is, niet al te dom is, maar ook niet heel intelligent, wel een drankje lust, maar niet dagelijks languit over de dansvloer eindigt en alles steeds wel haalt, maar nooit glansrijk, is niet bijzonder genoeg om aandacht te krijgen.
Hoewel wat we op televisie zien ver van ons af lijkt te staan, blijkt het slechts een uitvergrote vorm te zijn van de weerzin tegen de zesjesmentaliteit die wij in ons dagelijks leven tegenkomen. Overal worden we verwacht onszelf volledig in te zetten, in ‘goed zijn’ of in ‘slecht zijn’. Steeds weer zoeken we de extremen op. De middenweg van het zesje is niet genoeg. Wie ertussen valt en niet opvalt, is onbelangrijk. We moeten uitblinken, opvallen en anders zijn, voordat we verdwijnen tussen voor altijd vergeten stapels informatie.’

Lees de rest zelf in de krant – hier noteer ik alleen als aanvulling dat de esoterie in het algemeen en de antroposofie in het bijzonder naadloos uitleggen wat hier speelt. In het leven gaat het altijd om het midden, om het evenwicht, om het ritme tussen teveel en te weinig. Alleen zo ontstaat vrijheid en blijft die bewaard.

In het sprookje van Grimm over ‘Eenoogje, tweeoogje en drieoogje’ wordt dit verbeeld, leer ik van een bevriende sprookjesdeskundige met wie ik in gesprek kwam over dit krantenartikel. En moeder heeft drie dochters waarvan er twee op twee heel verschillende manier en toch op elkaar lijkend heel bijzonder zijn, en die worden door de moeder bewierookt; de middelste is altijd de klos, maar zoals het hoort in sprookjes overwint die uiteindelijk. Wikipedia heeft er een voortreffelijk lemma over.