Het probleem van de kerk
Essay over wat wel en niet bekend is in verband met seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zoals zich dat nu voordoet: een nieuw fenomeen
In het publieke debat over de wijze waarop
de rooms-katholieke kerk als instituut tot
nu toe is omgegaan en nog steeds omgaat
met het seksueel misbruik dat haar priesters
hebben gepleegd en wellicht op sommige
plaatsen nog steeds plegen aan kinderen, is de
essentie van het probleem nog niet onderkend.
Die essentie is dat de huidige gezagsdragers
van de kerk door hun opstelling in dit probleem
impliciet kenbaar maken dat zij zelf de
boodschap die zij verkondigen niet meer
begrijpen en er niet meer in geloven.
In eigen beheer gereproduceerd en verspreid, december 2011
INHOUDSOPGAVE
Inleiding: een nieuw fenomeen 3
1. Een zevenkoppige draak: een ontmoeting met iemand
die het zelf meegemaakt heeft 11
1. 1. Vooruitgang 11
1. 2. Medeschuldig? 16
2. Waarheidsvinding over aardse zonden en over wat hierna komt:
overwegingen voor het vervolg-traject 25
2. 1. ‘Wir haben es nicht gewusst’ 28
2. 2. ‘ … een hel voor de bisschoppen en oversten’ 32
2. 3. De priester als pontifex: waarheen leidt zijn brug? 37
2. 4. Lichamelijkheid, seksualiteit en vooruitgang in
de filosofie, de wetenschap en de esoterie 43
2. 5. In het centrum van de doolhof:
het eschatologisch tekort van de kerk in deze tijd 49
AANTEKENINGEN 57
De tekst staat ook op www.kairos-kr.nl Voor contact: hugo@verbrugh.nl
Inleiding: een nieuw fenomeen
Seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zoals zich dit nu voor-doet is een nieuw fenomeen. Het onderwerp is eind vorige eeuw in Canada, Amerika en Ierland in de publiciteit gekomen en is nu wereldwijd een thema.
In Nederland werd het in de loop van 2010 in brede kring bekend. In de grote hoeveelheid berichten en commentaren die intussen verschenen zijn, heb ik tot nu toe zelfs de vermelding niet aangetroffen naar de voornaamste conclusie die mijns inziens moet worden getrokken uit wat hier gaande is, namelijk dat de gezagsdragers van de kerk zelf geen begrip meer hebben voor wat zij verkondigen. Daarover gaat dit essay. Het gaat praktisch alleen over de zaak voor zover die in Nederland speelt.
Verwevenheid
Vijf verschillende draden zijn met elkaar verweven in dit thema.
(1) De kinderjaren en de betekenis van ouders en opvoeders in die jaren voor het kind.
Dat is een thema van alle tijden. Actueel is het toenemend inzicht dat veel van wat het kind in zijn eerste jaren meemaakt levenslang invloed blijft uitoefenen, zowel op het individueel-persoonlijke leven van de volwassene als op wat hij maatschappelijk doet en wat hem overkomt.
(2) Geloof, religie, en vragen inzake het transcendente oftewel hemel en hel, God c.q. god of zelfs de goden en wat dies meer zij.
Die vormen samen evenzeer een determinant van het mens-zijn. Relatief nieuw in dit verband is de populariteit van de esoterische traditie, waarin mensen zelfstandig hun eigen antwoorden zoeken op deze vragen. Die zelfstandigheid heeft gevolgen voor de aard van het gezag dat velen in verband met deze vragen toekennen aan de priester. Ooit was dat gezag vanzelfsprekend. Tegenwoordig staat het voor velen ter discussie. Priesters die dit aspect van de huidige tijdgeest onderkennen, spreken niet meer alleen tot de gelovigen, maar communiceren zo veel mogelijk met hen.
(3) De gevolgen van seksueel misbruik in ruimer verband.
De levenslange doorwerking van het misbruik bij velen heeft maatschappelijke repercussies; dat is één reden waarom de zaak publiek belang heeft. Er is nog een andere reden. Voor de rooms-katholieke kerk zijn vragen over geloof en in ruimer verband inzake het transcendente niet alleen een zaak tussen de gelovigen die lid zijn van de kerk en de priester. De kerk claimt impliciet een moreel gezag over alle (kat’ holoi) mensen. Volgens de vroege kerkvader Tertullianus is de ziel van de mens als zodanig zelfs van nature christelijk: anima naturaliter christiana.
Dat hoor je tegenwoordig niet vaak meer, maar zuiver logisch bezien moet iemand die op basis van zijn eigen christelijke geloof verantwoordelijkheid wil nemen voor alle mensen op aarde deze stelling onderschrijven. Wie in alle ernst meent dat dit zo is en ervoor kiest de christelijke boodschap uit te dragen, neemt dus onmetelijke verantwoordelijkheid op zich. Dat wordt geaccentueerd door het feit dat de kerk aan het bij het priesterambt behorende spirituele gezag bovendien wereldlijke macht verbindt. Ook om die reden is de misbruik-affaire een zaak die niet alleen de kerk aangaat.
(4) Het ruimer historisch perspectief.
In dezelfde jaren waarin dit misbruik zich voorgedaan heeft is de wereld immens veranderd. De wereld is een ‘global village’, een ‘werelddorp’ geworden, de media hebben een ongekend grote invloed gekregen en door de toenemende communicatie in cyberspace gaan die veranderingen in hoog tempo verder.
(5) Ten slotte zijn er de seksualiteit op zich zelf en de wegen en dwaalwegen die de seks in ieder individueel mensenleven gaat.
De mens is een eenheid naar lichaam ziel en geest. Deze oude wijsheid wordt in deze tijd in een nieuwe vorm uitgewerkt in de cognitieve neuropsychologie. Daardoor roept ook het meest algemeen-theoretische vertoog over seksualiteit bij de lezer associaties op aan de eigen seksualiteit. Dat geeft een specifieke flavour aan de wijze waarop mensen kennis nemen van en zich betrokken voelen bij deze misbruik-affaire. Hier ligt, diep verborgen, iets van het gelijk dat Freud, ‘kind van zijn tijd’ als hij was, toch had met zijn theorie over de fundamentele betekenis van de seksualiteit.
Elk van die vijf draden leidt naar belangrijke actuele deel-thema’s. Elk ervan heeft zijn eigen human interest. Als een auteur ze alle vijf samen in één tekst verweeft, creëert hij een draak met zeven koppen die wij uit de realiteit van de sprookjeswereld kennen. Als hij één kop afhakt, groeien er meteen zeven nieuw aan. Waarschijnlijk is dat de reden dat tot nu toe geen enkele documentaire- of theater-maker deze mix ingrediënten in een film of een televisie-serie of een musical verwerkt heeft.
Uitdaging
Voor een amateur journalist, filosoof en docent psychologie met, zoals in mijn geval, specifieke professionele interesse in alles wat te maken heeft met lichamelijkheid, ligt in die mix een uitdaging. Er is de laatste jaren veel over seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters in de publiciteit gekomen, maar heel veel is nog niet in de publiciteit gekomen en vooral is nog maar heel weinig opgenomen in het publieke debat. Omgekeerd blijkt wel steeds meer dat veel mensen in verband met dit misbruik veel weten dat ze deels niet, deels onontwarbaar vermengd met halve waarheden of hele onwaarheden, verzinsels, uitvluchten en andere ongewenste bijproducten aan anderen mededelen of zelf naar buiten brengen. Waarheidsvinding, journalistieke berichtgeving en commentariëring gaan vloeiend over in oordeelsvorming, duiding en waardering van het waarheidsgehalte van de informatie die naar buiten komt. Wellicht is het geen toeval dat de zogeheten sociale media alias ‘cyberspace’, die op een paradoxale manier tegelijk opener en toegankelijker voor iedereen en troebeler zijn dan de ‘oude’ media, in dezelfde tijd tot bloei gekomen zijn waarin deze zaak wereldwijd is gaan spelen.
Ik noem een paar complicaties die zich meteen laten voelen.
Rooms-katholieke priesters zijn niet de enigen die kinderen seksueel misbruikt hebben. Daarbuiten bestond het altijd al en wordt het in het publieke debat steeds meer actueel. Voor zover wij weten hoort het in de kerk in Nederland tot het verleden. Over wat in andere landen misschien gebeurt, weten we hier hoegenaamd niets. Hoe nemen we tegen deze achtergrond overeenkomsten en verschillen tussen seksueel misbruik van kinderen door priesters resp. anderen mee in onze overwegingen en oordeelsvorming?
In de jaren waarin het misbruik door priesters werd gepleegd, ruwweg de tweede helft van de vorige eeuw, is veel veranderd en veel het zelfde gebleven. Er zijn redenen om aan te nemen dat het al eeuwen speelt; er zijn sterke aanwijzingen dat het nu nog steeds massaal voorkomt in landen waar kinderen waar kinderen en jongeren in tehuizen en internaten door rooms-katholieke religieuzen worden opgevoed. Inzake wat gebeurde in het verleden, is er geen enkele indicatie over hoe vaak, hoe ernstig, met wat voor gevolgen. In de publiciteit was het hoegenaamd geen item.
Dat laatste is intussen dus anders. Er is vooruitgang geboekt in de theoretische omgang met het probleem. De praktijk is weerbarstig. Misbruik buiten de kerk is nog steeds bijzonder moeilijk grijpbaar. Het door de kerk zo geprezen gezin is tegelijk de beste plaats om gedrag dat allerminst prijzenswaardig is geheim te houden.
In dit essay gaat mij vooral over de paradox inzake wel en niet bekend. Over het seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters wordt steeds meer bekend. Juist daardoor wordt steeds duidelijker hoeveel in het verleden niet bekend en niet duidelijk was en hoeveel ook nu nog steeds onbekend en onduidelijk is. Het is nog steeds moeilijk of onmogelijk om te achterhalen wat er werkelijk gebeurd is en nog steeds gebeurt, en hoe dit heeft doorgewerkt en nog steeds doorwerkt in de levens van alle betrokkenen.
Geheimen
De mix van waarheid en onwaarheid, van het wel resp. niet bekende in deze misbruik-affaire is niet alleen zaak van onderzoeksjournalistiek en van vooruitgang in de weten-schap met bijbehorende verschillen van mening onder deskundigen. Het onderwerp is meer dan enig ander onderwerp in het publieke debat, inclusief de economische crisis en de maffia vergeven van geheimen – en er spelen meer verschillende soorten geheimen dan in enig ander onderwerp. Er is het beroepsgeheim, het biechtgeheim, er zijn de officiële geheimen binnen het instituut ‘kerk’, het geheim van het zogenoemde hierna-maals met daarin ons hypothetische zieleheil, het geheim van het goddelijke, en het geheim van het transcendente, het ‘arcanum’, dat volgens de officiële leer verborgen moet blijven voor de eenvoudige gelovige, en waar alleen de priester toegang toe heeft.
En aangezien het allemaal gaat over seks zijn er, last but not least, de twee categorieën geheimen die men in dat verband voor zich zelf houdt.
De eerste categorie omvat alles wat men zelf wel weet maar niet aan anderen en zeker niet aan journalisten vertelt, hoogstens misschien aan een therapeut opbiecht.
Nog geheimer is de tweede categorie. Die omvat alles wat men niet eens zelf weet, wat men aan zich zelf niet wil, niet kan, niet durft te onthullen. Het is zó geheim, dat ‘niet willen, niet kunnen, niet durven’ hier onontwarbaar vermengd zijn.
‘Geheim’ is een duister midden tussen waarheid en onwaarheid. In geen enkel geheim thema is dit midden zó diep, breed, moeilijk af te grenzen en zó ongrijpbaar, en ligt het tegelijk letterlijk en figuurlijk zó direct voor het grijpen, als in lichamelijkheid in het algemeen en seksualiteit in het bijzonder. Iedereen ervaart hoe in dit gebied gedachten en woorden onmiddellijk doorwerken in lijfelijke gewaarwordingen en hoe onmogelijk het is de waarheid daarover zuiver in woorden te vatten. Discursieve teksten, waarin de auteur stap-voor-stap redenerend een betoog opbouwt, zitten er altijd naast; eidetische, in beeldentaal gepresenteerde verhalen zijn soms wel to the point. Klassieke beeldentaal in mythen, sprookjes is niet voor niets in brede kring populair. Alleen zijn sommige geheimen, bij voorbeeld over seks, daarin zó geraffineerd verborgen dat zelfs – eigenlijk vaak vooral – intelligente mensen ze daarin niet vinden.
Clerus
Inzake seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zijn drie partijen in het geding: (1) de intussen volwassen en veelal bejaard geworden mensen die als kind misbruikt zijn, (2) de veelal overleden of anderszins soms niet meer traceerbare daders en (3) de kerkelijke gezagsdragers onder wier verantwoordelijkheid dit alles binnen de kerk heeft kunnen gebeuren en die meer of minder medewerken aan de afwerking van het probleem. Bij alle drie partijen spelen, in wisselende samenstelling, alle genoemde geheimen. Om die derde partij, de hogere echelons van de clerus, gaat het in dit essay. Zij die de ultieme verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop is en nog steeds wordt omgegaan met wat die daders hebben aangericht, kort gezegd de bisschoppen en oversten en andere leidinggevenden, krijgen nog niet de aandacht die ze verdienen.
Civitas
Een tekst over een zo onmogelijk veelzijdig onderwerp als seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters kan alleen worden geschreven voor zover de auteur niet alleen afstandelijk zakelijk-inhoudelijk werkt, maar in zijn betoog ook iets van zijn eigen persoonlijke levensdraad meeweeft.
Die aanbeveling heb ik niet van mezelf. ‘Maak het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk’ werd eind vorige eeuw vanuit het feminisme aanbevolen door Carol Hanisch. Sinds 1985 weten we ook dat alles politiek, maar dat politiek niet alles is. Maar ook dat is niet helemaal waar want politiek is, historisch bezien, alles wat zich voordoet in de ‘polis’, de stad, de maatschappij, de plaats waar allen, ‘holoi’ samen leven.
Augustinus gebruikt in dit verband het begrip ‘civitas’ en maakt onderscheid tussen de ‘civitas terrena’, de aardse maatschappij, en de ‘civitas Dei’, ‘de stad van God’. Beide ‘civitates’ zijn in het geding in het bijna onhanteerbaar ingewikkelde probleem van het seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters. Het misbruik-probleem is in deze optiek tegelijk seculier en transcendent politiek.
De hier door mij bedoelde geïntegreerd politiek-persoonlijke manier van denken en schrijven is voor het onderwerp van dit essay daarom praktisch een must.
Voornamelijk om mijn betoog zo zuiver mogelijk te presenteren heeft het essay toch twee delen.
In het eerste deel vat ik samen waarom ik me persoonlijk zó aangesproken voel door dit seksueel misbruik, dat ik dit essay daarover wilde schrijven en publiceren.
Het tweede deel is overwegend zakelijk-filosofisch. In de dagen dat ik dit essay schrijf, herfst 2011, zijn de ontwikkelingen in volle gang. Op 16 december wordt de publicatie verwacht van het eindrapport van de ‘onderzoekscommissie die onafhankelijk onder-zoek uitvoert naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van 1945 tot 2010′ oftewel de Commissie Deetman. Dat zal een voorlopig eindpunt zijn in deze zaak; meteen daarna begint het volgende traject. Vooral het tweede deel van dit essay is bedoeld als materiaal voor het publieke debat in dit vervolg-traject.
Nieuw fenomeen
De titel van dit essay, ‘Het probleem van de kerk’, is me aangereikt door de Belgische aartsbisschop André Léonard. Op 22 december 2010 stelde die in de Kamercommissie Seksueel Misbruik dat het seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters niet alleen een probleem van de kerk, maar van de hele samenleving is.
Daar heeft hij gelijk in, maar ik weet menselijkerwijs gesproken zeker dat hij dit anders bedoelde dan ik het nu in dit essay opvat. In elk geval zette hij, waar hij het begrip ‘probleem’ gebruikte om seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters te karakteriseren, de filosoof in mij aan het denken. Uit zijn toelichting daarbij werd mij namelijk niet duidelijk in welke zin hij het begrip ‘probleem’ bedoelde.
Wel duidelijk was dat mgr. Léonard het begrip ‘probleem’ anders gebruikte dan het in de wetenschap en de filosofie en de wetenschapsfilosofie gebruikt wordt. In die drie disciplines is ‘probleem’ een duidelijk omschreven begrip. Het is een vraag of een onzekerheid waarvan wij intuïtief’, ‘for good reasons’ zoals het genoemd wordt in de ‘scientific community’, aanvoelen dat die beantwoord resp. in zekerheid veranderd kan worden als wij mensen maar voldoende ons best doen. Dat antwoord resp. die nieuwe zekerheid leveren dan meteen weer nieuwe problemen op die met kans op succes aangevat kunnen worden, en deze verketening van ‘probleem’ → ‘oplosbaar probleem’ → oplossing → nieuw oplosbaar probleem’ is de vooruitgang in de wetenschap.
In verband met de actuele zaak van seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters is het daarom op z’n zachtst gezegd vermetel om die zaak als een ‘probleem’ te betitelen. Door de keuze van dit woord wordt de suggestie gewekt dat een filosofische en wetenschappelijke benadering van het probleem vanzelf zal leiden tot de oplossing ervan. Iets grimmiger geformuleerd: mgr. Léonard zegt tussen de regels door dat alleen een tekortschieten van hen die actief betrokken zijn bij het probleem zal bewerkstelligen dat het probleem niet opgelost wordt.
Door zijn woordkeuze manifesteerde kardinaal Léonard dus, vrijwel zeker zonder dat hij zich daarvan bewust was, grote vermetelheid. Die vermetelheid vat ik op als een uitdaging en die uitdaging pak ik op. Deze tekst gaat over de actuele zaak van seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters als probleem van de kerk in de zin van de wetenschapsfilosofie oftewel in principe oplosbaar.
Metabletica
Doordat ik de zaak zo opvat als mgr. Léonard, zonder zelf precies te beseffen wat hij deed, haar karakteriseerde, hebben we in verband met seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zoals dit zich nu voordoet, te maken met een nieuw fenomeen in de geschiedenis. Dat heb ik aangeduid in de ondertitel.
Het begrip ‘nieuw fenomeen’ komt van de Nederlandse psychiater en filosoof Jan H. van den Berg. Een nieuw fenomeen in die zin is iets dat vroeger niet alleen niet bekend was, maar dat er, omdat het niet bekend was, domweg ook niet was. Van den Berg karakteriseert dit in deze zin in zijn metabletica, de leer omtrent de, voor de uiterlijke geschiedschrijving veelal verborgen samenhangen tussen verschillende, gelijktijdig optredende historische veranderingen. Zijn eigen toelichting maakt duidelijk wat bij bedoelt met een nieuw fenomeen. In een interview vertelt hij over hoe hij als assistent-psychiater leerde hoe de psychiatrie in verschillende culturen verschillend is: ‘En toen dacht ik: ”die psychiatrie is relatief. Er is niet één bepaalde psychiatrie maar er zijn vele psychiatrieën afhankelijk van het land, van de tijd.” Dat bracht me op de gedachte: Wel, die psychiatrie is er niet steeds geweest; die is er pas gekomen tegen de Franse revolutie. Daarvóór was er eigenlijk geen wetenschappelijke psychiatrie.” Waarom niet? Waarom was die er niet, wat was er dan niet? Toen heb ik gedacht: ,,Het zou best eens kunnen zijn omdat de zaak er niet was.” Dat geldt voor de klassieke psychiatrie natuurlijk wel anders dan voor de neurosenleer, maar goed, ik ben er van overtuigd dat de neurosen toen niet bestonden. Er is geen woord geschreven over neurosen vóór 1733. Psychosen zijn wel altijd beschreven, maar neurosen niet. De puberteit – nu kom ik in het gebied van de normale psychologie – is niet beschreven vóór Rousseau. … Toen Rousseau in de jaren dertig van de 18e eeuw zijn eigen puberteit ervoer, ervoer hij waarschijnlijk iets nieuws, zó nieuw, dat hij het kon gaan beschrijven als een nieuw fenomeen. Dat is een voorbeeld van wat eigenlijk de inhoud is van de metabletica. De ”Ideeengeschichte”is een”Realgeschichte”, de ideeën-geschiedenis is een geschiedenis van zaken, van dingen, van het echte concrete leven.’
Ongeveer zó is het met het seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zoals dit zich in deze tijd voordoet.
1. Een zevenkoppige draak: een ontmoeting
met iemand die het zelf meegemaakt heeft
Persoonlijk heb ik nooit direct met seksueel misbruik te maken gehad. Indirect voel ik me er om meerdere redenen sterk bij betrokken. Dat komt vooral door de ontmoeting in 1994 met een vrouw van toen 40 jaar die als kind intensief door haar vader seksueel was misbruikt. Sindsdien leeft het thema in mij; vijftien jaar later werd het actueel door wat aan het licht kwam inzake het probleem van de kerk en wilde ik er iets aan gaan doen.
1. 1. Vooruitgang
Mijn duiding van de betekenis waarin mgr. Léonard het begrip probleem gebruikte op blz. 9 was ironisch, om niet te zeggen polemisch. Een probleem in de zin van de weten-schapsfilosofie is praktisch het tegendeel van een ‘draak met zeven koppen’- situatie – en dat is nu juist wel een adequate typering van het ‘probleem’ van de kerk. Het idioom van sprookjes en mythen is onmisbaar voor begrip van dit ‘probleem’.
Zo’n situatie laat zich ook in een uitdrukkelijk mede persoonlijk geïnspireerd betoog niet meteen zakelijk-waardevrij systematisch analyseren. De filosofie biedt een oplossing voor de aanpak van niet systematisch analyseerbare zeven-koppige probleem-situaties. Dat is de chronologie. Hoe begon het, hoe ging het verder, waar zijn we nu.
Ervaringsdeskundige
Een chronologische aanpak laat zich ook goed combineren met de invlechting van enkele relevante persoonlijke motieven. Met de chronologisch eerste van de op blz. 3 genoemde biografische draden is dat eenvoudig. Ik ben in sociaal en paedagogisch prima omstandigheden perfect vrijzinnig opgevoed met een functioneel gezonde dosis antroposofie inclusief de reïncarnatie, die mooi-onopvallend altijd om mij heen was: niet opdringerig of anderszins hinderlijk, maar mild-effectief in alles werkzaam. Ik heb als kind op geen enkele manier last van de seks gehad, en de rooms-katholieke kerk als instituut was in mijn kinderjaren zo ver weg dat ze nauwelijks in mijn bewustzijn was.
Maar helemaal probleemloos was het de eerste jaren niet. Ik woonde met mijn ouders in Arnhem, was zeven toen daar de Engelse Airborne parachutistendivisie in september 1944 tevergeefs probeerde de brug over de Rijn te veroveren, en ik herinner me precies hoe wij de daarop volgende tien maanden, verjaagd door de Duitsers die in alle rust de stad wilden plunderen, als ‘évacué’s’ op de vlucht waren. Heel erg hebben we het niet gehad, zeker niet in vergelijking met wat tientallen miljoenen anderen is overkomen, maar het was net erg genoeg om mij tot ervaringsdeskundige te maken over hoe ervaringen in de kinderjaren levenslang kunnen doorwerken – overigens zowel ten kwade als ten goede. Duitsland en Oostenrijk als vacantie-land zijn taboe, elke keer als ik er om deze of gene reden kom krijg ik weer associaties aan 1940-1945, ik leef via de media mee met de herdenkingen in de publiciteit van belangrijke gebeurtenissen uit die jaren – maar ook, het goede nieuws: ik had later geen enkel bezwaar tegen de militaire dienstplicht, daarin aangemoedigd doordat wij als laatste lichting van de landmacht nog het uniform kregen naar de snit van de Engelsen die hadden willen bevrijden.
Het numineuze
In de volgende zeven jaar kwam toch de kerk een beetje in mijn bewustzijn. Geogra-fisch woonden wij namelijk op de kortst mogelijke afstand ervan – van de Heilige Hartkerk, om precies te zijn. Om die kerk en de daarnaast gelegen school gebeurde van alles dat op ons, een buurvriendje en mij, buitengewoon vreemd overkwam, en af en toe waagden wij een kijkje in die kerk.
Terwijl ik nu erover schrijf, komen herinneringen weer tot leven en voel ik enigszins weer wat me daar dan beving. Dat was in de eerste plaats een lichte angst – normaal en begrijpelijk, want we beseften wel dat we daar niets te zoeken hadden en inderdaad zijn we een paar keer door de koster de kerk uitgejaagd. Voor zover ik in die kerk soms toch even tijd en rust had om in me op te nemen wat ik gewaar werd, was dat een mix van (1) verbazing, (2) een soort herkenning dat de inrichting van het gebouw kennelijk bedoeld was om mensen in een bepaalde, ietwat ontrukte stemming te brengen en (3) de geruststellende conclusie dat ik daar niets te zoeken had, ook nooit iets zou vinden, en dat ik met al die poespas niets te maken had en ook niet zou krijgen. Met mijn kennis van nu, the advantages of hindsight in zakelijke termen vat ik het zo samen.
Ik kreeg bij die stiekeme bezoekjes aan de kerk een eerste impressie van het heilige als maximaal abstracte en tegelijk zich concreet aan de ervaring manifesterende macht oftewel het zogenoemde numineuze en trof tegelijk in mijn persoonlijke binnenwereld de innerlijke zekerheid aan dat ik aan de vorm waarin dit numineuze in de godsdienst wordt aangeboden geen boodschap had. Onder het numineuze wordt verstaan de notie van het heilige inclusief God en het hierna en alles wat daarmee te maken heeft zonder de onmiddellijke associatie aan het morele. Het wordt omschreven als een niet verder herleidbaar element in de persoonlijke binnenwereld dat zich voordoet als een ‘a priori op het niveau van het gevoelsleven’. Het numineuze zal in hoofdstuk 2.3. van dit essay en het betoog als geheel een belangrijke rol spelen; in dit stukje persoonlijke inleiding noteer ik alleen nog dat in veel biografische notities van mensen met een religieuze grondhouding melding wordt gemaakt hoe zij in hun jonge jaren in een kerk of elders intuïtief dit numineuze herkend hebben. Een relatief positief geretoucheerde variant van mijn eigen rooms-katholieke-kerk-gevoel herkende ik later in enkele passages in de onvolprezen jeugdherinneringen aan het rijke roomse leven die Godfried Bomans in zijn ‘Beminde Gelovigen’ gebundeld heeft.
Voor de rest is de kerk als instituut tot nu toe op grote afstand van me gebleven en het is vrijwel zeker dat zij in de rest van dit leven daar voor mij zal blijven.
Lichamelijkheid
Na mijn eindexamen wist ik niet of ik journalist of filosoof wilde worden. Inzake studiekeuze was die onzekerheid geen probleem want voor beide beroepen leek me inzicht in de werking van het brein een voorwaarde en dat inspireerde me dus tot de studie geneeskunde. Destijds zou deze motivatie door velen als enigszins ongerijmd zijn beschouwd; tegenwoordig is ze heel goed te verdedigen.
Ik onderbouw deze voor veel lezers wellicht verrassende mededeling met één actueel citaat: ‘De ontwikkelingen in de natuurwetenschappen zijn van het grootste belang voor historici. Als je nu wilt weten waarom het lezen van Shakespeare zoveel meer met je doet dan het lezen van de achterkant van een doos cornflakes, dan zul je iets van neurowetenschappen moeten weten. Andersom ook: onderzoek je wat er in de hersenen gebeurt als je Shakespeare leest, dan zul je zijn werk ook moeten bestuderen’. Wetenschap en filosofie en onderzoeksjournalistiek en eigenlijk alles wat een mens in deze tijd kan doen, valt onder het paradigma van de cognitieve neurowetenschappen en omgekeerd.
De studie gaf weinig grote problemen, maar veel roeping om zieke mensen beter te maken had ik ook na het einde daarvan niet; pathologische anatomie leek me een rustig vak dat zowel tijd als inspiratie voor nevenactiviteiten zou geven. Dat werkte goed.
Eén journalistieke klus uit die tijd verdient speciale vermelding in verband met dit essay. Tussen oktober 1973 en juli 1975 maakte ik ruim twintig biografische inter-views met Bekende Nederlanders in de geneeskunde voor de ‘Geneeskundige Gids’, een onder alle artsen in Nederland gratis verspreid medisch magazine. De hoofdredacteur gaf me helemaal de vrije hand, ik van mijn kant liet de geïnterviewden vrijuit alles vertellen wat zij interessant vonden en dat had succes door een omstandigheid die wij niet voorzien hadden. Praktisch alle artsen in Nederland kenden die geïnterviewden minstens van naam, velen kenden hen als docent, in alle verhalen kwamen collega’s ter sprake die vele lezers persoonlijk kenden, en de integratie van zakelijk-medische informatie en biografisch-persoonlijke betrokkenheid maakte onze producten populair.
Bijzondere herinneringen in verband met dit essay bewaar ik aan het laatste interview, met de op blz. 10 al genoemde Jan H. van den Berg over de metabletica.
Incest
In de volgende jaren begon heel langzaam iets bekend te worden over het soort thema’s als waarover dit essay gaat. In 1962 was in een Amerikaans medisch tijdschrift een artikel verschenen over kindermishandeling. ‘Het syndroom van het in-mekaar-geslagen kind’ heette het: ‘The Battered-Child Syndrome’. Inhoud en strekking waren als een schok door de wereld gegaan. Men kon en wilde niet geloven dat zulke opzettelijke mishandeling door mensen die het kind nabij waren en die veelal juist de eersten waren om het te verzorgen, vaker dan bij hoge uitzondering plaats vond. In 1983 verscheen het in Nederland evenzeer geruchtmakende boek ‘De straf op zwijgen is levenslang’, en in de volgende jaren kwamen incest, kindermishandeling en seksueel misbruik geleidelijk in het publieke debat – uiteraard nog zonder enige associaties aan priesters.
Door omstandigheden die hier niet ter zake doen verruilde ik enkele jaren daarna de pathologische anatomie voor de filosofie van de geneeskunde. Dat paste uiteraard beter bij mijn journalistieke nevenactiviteiten. Enkele bijzonderheden daarvan mogen hier samengevat worden.
Mijn werk werd niet medische ethiek. Dat moet ik, als filosofie en geneeskunde ergens ter sprake komt, nog steeds nadrukkelijk specificeren want voor de goegemeente is filosofie in verband met de geneeskunde domweg het zelfde als medische ethiek. Nee, dus – en juist in verband met het probleem van de kerk is dit essentieel. Wat filosofie is, is namelijk ooit gekarakteriseerd als ‘louter voetnoten bij Plato’ en dat is weliswaar erg kort door de bocht maar er zit iets in, vooral omdat de bescheiden plaats van de ethiek daarin zo mooi tot uitdrukking gebracht is. In iets meer afgewogen bewoordingen legt Augustinus uit wat in deze voetnoten-one-liner bedoeld wordt in ‘De Civitate Dei’ (‘Over de Stad van God’): Plato heeft de ware aard van de filosofie afgelezen van de ware aard van de mens.
Dat is een boude bewering, maar Augustinus geeft keiharde argumenten en die zijn nog steeds geldig. Ze krijgen zelfs steun door moderne wetenschappelijke inzichten. De mens, zo parafraseer ik in eigentijdse termen wat Augustinus zegt, leeft in een polair dynamisch evenwicht tussen innerlijk bewustzijn en uiterlijk handelen. Vita activa en vita contemplativa zijn klassieke uitdrukkingen voor deze polen. De ware aard van de mens ligt in de onverbrekelijke samenhang tussen deze beide polen en de uitdaging om telkens het midden daartussen te vinden. In de moderne neurowetenschappen wordt deze samenhang gethematiseerd in de theorie over de eenheid van waarnemen en bewegen die in 1940 is gelanceerd onder de naam ´Der Gestaltkreis´. Deze theorie werd lange tijd beschouwd als meer filosofisch interessant dan als neurologisch relevant, maar dat perspectief verandert nu recent neurofysiologisch en cognitief-psychologisch-onderzoek steeds overtuigender aantoont hoe sensorische processen, denken, waarnemen en alles wat zich in het brein en de zintuigen afspeelt, onmiddellijk samenhangen met de motoriek, met handelen, met wat zich in de spieren, de darmen en de rest van het lichaam afspeelt, en hoe ware levenskunst eruit bestaat die twee polen te integreren via de gevoelsprocessen die onmiddellijk samenhangen met ademhaling en bloedbeweging. ‘Logica, physica, ethica’ noemde Plato de drie onderdelen van de filosofie – wij herkennen denken, gevoel en handelen, en in de filosofie de drie vakgebieden kenleer (epistemologie), wijsgerige antropologie en ethiek. De moraal van het verhaal is dat je éérst moet weten waar je het over hebt en jezelf als mens moet herkennen voordat je over moraliteit in het handelen kunt gaan praten, maar wel in de zin van het holisme, inzicht in de samenhang van alles met alles: weten en handelen en mens-zijn kunnen niet los van elkaar gezien worden. In het medisch onderwijs moeten dus eerst kennis- en wetenschapsleer en wijsgerige antropologie komen, daarna pas ook ethiek. Augustinus, de moderne filosofie, het eigentijdse paradigma van de cognitie-wetenschappen en de antroposofie komen hier perfect samen.
Kindermishandeling, incest, seksueel misbruik van kinderen door volwassenen – dat is allereerst een epistemologisch en filosofisch-antropologisch probleem. Pas als je daarin een eindweegs gevorderd bent, is het verantwoord ethische overwegingen uit te proberen. De bijzondere complicatie van seksueel misbruik van kinderen door priesters voegt dan een totaal andere dimensie aan het probleem toe. Dat is de inzet van dit essay.
1. 2. Medeschuldig?
En toen, begin oktober 1994, werd alles anders. Toen kwam de op blz. 11 aangeduide 40-jarige vrouw, bij mij met een vraag. Zij bleek Maud Kips te heten, vertelde dat ze van haar zesde tot haar zestiende jaar systematisch door haar vader seksueel en anders-zins was misbruikt en mishandeld, en nu, bijna een kwart eeuw nadat ze uit het ouderlijk huis was gevlucht, bezig was aan een rondgang langs alle mensen die haar informatie zouden kunnen geven over de situatie in haar ouderlijk huis destijds. Zij meende dat ik in die jaren de huisarts van het gezin Kips was geweest en wilde nu van mij horen of die mening juist was en zo ja of ik destijds niets gemerkt had van wat zich in het gezin afspeelde en hoe het gekomen kon zijn dat ik destijds ofwel niets gemerkt had ofwel niets gedaan had.
Ik was die huisarts echter niet geweest, maar haar vermoeden was niet helemaal ongegrond. Ik had twintig jaar eerder intensief met haar vader samengewerkt – in de klus voor de Geneeskundige Gids die ik op blz. 13 even noemde. De herinneringen daaraan kwamen door het onverwachte bezoek van Maud dus opeens in een nieuw licht te staan. Nu, ook weer bijna twintig jaar na dit eerste bezoek van haar, probeer ik terwijl ik deze tekst schrijf, me opnieuw te herinneren hoe dat in de jaren ’73 – ’75 gegaan was.
Zeitgestalt
Het eerste dat bovenkomt is het steeds meer vertrouwde besef dat herinneringen niet zomaar vaststaande ‘entiteiten’ zijn die ‘ergens’ in het brein ‘opgeslagen liggen’. Dat is een van de grote verworvenheden, ‘achievements’, van de eigentijdse cognitieve neuro-psychologie. Herinneringen vallen in de rubriek van wat in het Duits genoemd wordt ‘Zeitgestalten’: immer bewegende patronen en configuraties in het brein die je door je eigen innerlijke bewustzijnsactiviteit ieder moment opnieuw doet ontstaan en die dan weer hun eigen weg in de lijfelijk-lichamelijke kant van je persoonlijke binnenwereld hun eigen weg gaan zodat je ze instant weer kwijt raakt, waarna ze in de volgende slag van het ritme van de zenuwcellen weer bovenkomen en zo voort.
Deze ritmische ‘Zeitgestalt’achtige wijze van functioneren van het hele lichaam en ook van het brein en het bewustzijn is een actueel thema in de eigentijdse cognitieve psychologie. Het is essentieel in verband met werk aan de herinneringen uit de kinder-jaren, en zeker met werk aan traumatische herinneringen zoals seksueel misbruik. Daarom memoreer ik het hier zo uitdrukkelijk.
Wat weet ik nu nog – op grond van dit ‘Zeitgestalt’-kenmerk van herinneringen moet ik dus eigenlijk zeggen: ‘wat weet ik nu opnieuw’ – over mijn relatie met Kips sr.? Hoe zeker ben ik van wat ik naar boven weet te halen?
Disfunctioneel gezin
Ik weet achteraf redelijk zeker dat ik nooit bij de familie thuis ben geweest. Ik heb destijds alleen eenmaal mw. Kips sr., de moeder van Maud, ontmoet, en vader Kips heeft me een enkele maal verteld, minstens eenmaal in aanwezigheid van een derde persoon die me dit nu bevestigd heeft, over opvoedingsproblemen die hij met een van zijn andere kinderen had. Later, omstreeks 1990, was mw. Kips sr. een maal bij me in de medische faculteit geweest om te spreken over problemen met een zoon. Bij die gelegenheid had ik geleerd dat het gezin, in moderne termen, ‘disfunctioneel’ was. Voor de rest weet ik alleen nog allerlei ‘technische’ bijzonderheden over hoe de 22 interviews in de Geneeskundige Gids tot stand gekomen waren.
Ik ontving Maud dus met weinig voorkennis en helemaal geen vermoeden over het onderwerp waar ze mee kwam, maar wij konden wel een zinvol gesprek hebben.
Mijn naam was goed bekend geweest in het gezin Kips, en het vermoeden van dochter Maud was niet ongerijmd. En weliswaar was ik inzake dit misbruik van Maud door haar vader een relatief innocent en zeker onwetende bystander geweest, maar ik voelde me om twee redenen wel aangesproken. De ene reden was niet zo belangrijk en kwam van buiten af en was incidenteel. Ik was als medisch amateur-journalist betrokken geraakt bij de destijds geruchtmakende Eper-incestzaak van Yolanda van B. en daardoor in het onderwerp geïnteresseerd.
De andere reden kwam van binnen uit, begon pas na enige tijd te werken en werkt tot en met dit essay nog steeds door. Die andere reden ligt dus veel dichter bij en is nog steeds actueel. Het is dus ook navenant moeilijker hem precies onder woorden te brengen, maar ik moet het proberen want wat daarin in ‘t geding is, is van belang voor mijn begrip van het probleem van de kerk. Ik had bijna twee jaar een aanvankelijk zuiver professionele, maar gaandeweg ook persoonlijke en zelfs kameraadschappelijk geworden relatie gehad met een man, iets ouder dan ik en door mij zonder voorbehoud gerespecteerd, die in die tijd en vele jaren daarvoor een soort misdrijf had gepleegd als ik me hoegenaamd niet kan voorstellen dat ik ooit zou plegen, en ik had er niets van gemerkt. Dat trok ik mij en trek ik mij nog steeds om twee redenen aan.
Empathie
De ene reden is dat ik nog steeds moet verwerken dat ik destijds helemaal niets gemerkt of zelfs maar vermoed heb. Ook lang voordat het woord ‘empathie’ zo populair werd als het nu is, bestond het fenomeen toch al? Ik was destijds als een soort slaapwandelaar door het leven gegaan – althans het deel van mijn leven waarin Kips sr. meespeelde. Heb ik sindsdien enige vooruitgang geboekt in mijn empathisch vermogen?
Met de andere reden komt de ethiek in het verhaal. Door de omstandigheden – of moet ik zeggen ‘door omstandigheden’ zonder bepaald lidwoord? – was Kips sr. tot dit gedrag gekomen. Waarom, waardoor hadden (de, mijn) omstandigheden mij niet tot zulk gedrag gebracht?
Terwijl ik deze vraag voor dit essay opschreef, zojuist, meende ik half bewust dat ik hem retorisch bedoelde. Misdadigers worden niet als misdadiger geboren, maar door (de, hun) omstandigheden misdadiger gemaakt, leert het gangbare paradigma nu.
Mijn ogenschijnlijk louter retorisch bedoelde vraag aan mijzelf leek dus alleen een verkapte mededeling dat ik in vergelijking met Kips was opgevoed en opgegroeid en had geleefd in relatief gunstige, bevoordeelde omstandigheden en dat ik me daardoor nooit schuldig heb gemaakt aan zulk gedrag. Ik heb ook nooit enige verleiding gevoeld om zoiets te doen. Dat gaf me, half- of minder bewust, een meer of minder aangenaam veilig gevoel. Het bleef lang, vaag bewust, ergens diep in mijn gemoed sluimeren.
Intussen ben ik ernstig gaan vermoeden dat de vraag waarom ik nooit zoiets gedaan heb helemaal niet retorisch mag worden gesteld. Hij is gewoon reëel, concludeer ik na enig nadenken. Hij verdient een zoektocht naar een reëel zakelijk inhoudelijk antwoord, want in mijn voorlopige conclusie komen verschillende elementen voor die in dit essay, ex- of impliciet, aan de orde komen. Dat zijn vragen naar de oorzaak van seksueel misbruik, naar de relaties tussen mensen die zulk misbruik gepleegd hebben en anderen die dat niet gedaan hebben maar er – wel of niet – van weten, naar theorie en praktijk van de criminologie, naar de geheime samenhang van wel en niet weten en willen en durven weten, naar persoonlijke omgang met schuldgevoelens, naar de esoterie, met name het antroposofisch mensbeeld, en naar nog andere thema’s.
Dat zijn op zich zelf belangrijke ingangen tot het probleem. Omdat het probleem zich in de rooms-katholieke kerk, die zich erop beroept de kerk van Christus te zijn, voordoet komt daar nog iets bij. ‘Heb uw naaste lief gelijk u zelve’, leert deze op afstand belangrijkste figuur in en voor de kerk. De eigentijdse skepticus, ingewijd in de geheimen van de moderniteit, riposteert nu wellicht dat hij dat niet helemaal begrijpt, omdat hij, als hij eerlijk is en zijn zelfkennis toepast, helemaal niet zo erg van zich zelf houdt, maar dat is een achterhaald-modernistische uitvlucht. ‘Quisque sibi proximus’, een ieder is zich zelf het naast – voordat je een ander zelfs maar ziet stáán, moet je je eerst door een oerwoud aan eigen onkruid heen gewerkt hebben. Als ik dat op mezelf toepas, mag ik lekker veilig zeggen dat ik niet gedaan heb wat Kips gedaan heeft – als de omstandigheden anders waren geweest, zou ik zoiets misschien wel gedaan hebben, en in elk geval heb ik op mijn manier ook veel, veel meer dan ik weet, gedaan en verzuimd waardoor ik anderen schade heb berokkend.
Tot zover ben ik nu, eind 2011 gekomen, in mijn eigen verwerking van het gruwelverhaal dat Maud me kwam vertellen over haar vader en het disfunctionele gezin.
Waarheidszintuig
In de volgende jaren gebeurde veel. Ik bleek behalve de andere kinderen uit het gezin Kips de enige nog levende, althans vindbare persoon te zijn die Kips had gekend, en Maud en ik raakten in gesprek over haar leven en over wat haar overkomen was. Stukjes bij beetjes kwamen bij Maud herinneringen boven en tegelijk ook de vaardigheid, de durf, de guts om het in detail te vertellen. Wat we meemaakten deed me denken aan wat Dante in zijn ‘Goddelijke Komedie’ in het begin van zijn verslag van zijn toch naar de hel schrijft: ‘door het op te schrijven herleeft de angst weer’; in het geval van wat Maud mij bij stukjes en beetjes vertelde herleefde telkens de ontzetting over wat in dat disfunctionele gezin tien jaar lang gebeurd was.
In december 1994 publiceerde ik een interview met haar in nr. 27 van het tijdschrift Care – Podium voor een pluriforme gezondheidheidszorg. De titel was ‘Ik wil de ontkenning dat het gebeurd is uit de wereld hebben’. Daar lag en ligt, had ik intussen geleerd, de crux van de verwerking van misbruik in de kinderjaren: in de ontkenning door de daders. Dat speelt nu ook een centrale rol in de uitwerking van het probleem van de kerk door de betrokkenen, zoals in deel 2 van dit essay verder aan de orde komt. In verband met wat Maud overkomen was, deed zich hier de bijzondere omstandigheid voor dat ik, doordat ik Kips goed gekend had, indirect een functie zou kunnen vervullen als fair witness. De betekenis en het belang van getuigenissen door derden was destijds een ander aspect van misbruik dan nu. Het ‘false memory syndrome’ zou pas in 2008 in de publiciteit komen. Weliswaar werd ook eind vorige eeuw al misbruik in de kinder-jaren soms aan derden voorgelegd, aan jeugdzorgwerkers of kinderrechters, maar enige systematiek zat er niet in. Met name werd niet altijd scherp het onderscheid gemaakt tussen ontkenning door de dader en twijfel bij de omstanders aan de veridiciteit van de herinnering van de als kind misbruikte persoon. Persoonlijk heb ik nimmer enige twijfel gevoeld aan wat Maud me gaandeweg vertelde en Maud heeft dat ook altijd geweten. Vooral door wat ik van haar hoorde en aan haar leerde, leerde ik inzien dat het cognitieve paradigma een sleutelrol speelt in het begrip omtrent het probleem van de kerk. Tegelijk kreeg ik steun voor een van de hoekstenen van het antroposofisch mens-beeld namelijk dat in de mens een aangeboren innerlijk gevoel voor waarheid leeft dat, als je er eerlijk mee omgaat, even goed werkt als alle ‘algemeen erkende’ zintuigen.
Ik noem dat hier, omdat in verband met de afhandeling van het seksueel kindermisbruik door priesters vaak de vraag opkomt naar het waarheidsgehalte van de verhalen die nu verteld worden. In verweerschriften van advocaten van de kerk op de klaagschriften de basis vormen voor de procedures, wordt die vraag soms ten principale ontkennend wordt beantwoord; en dat gaat dus niet zomaar.
Ars memoriae
Maar hoewel nimmer sprake was van twijfel wilde Maud – en ook de legitimiteit van die wens kon ik me zonder voorbehoud voorstellen – dat haar vader jegens iemand die hij kende en die hem kende, klaar en duidelijk zou toegeven dat hij zijn dochter had misbruikt. En zo reisden wij ergens in 1995 of kort daarna naar Delft, waar Kips sr., intussen gescheiden van zijn echtgenote, in een soort bejaardenhuis zat.
Het werd een luguber gesprek. Ik herinner me er nu weinig van – en deze persoonlijke mededeling is mede bedoeld als een speciale reminder (!) aan een van de deel-thema’s van dit essay, de kunst om effectief en creatief met het geheugen om te gaan: de ars memoriae oftewel ‘mnemotechniek’. Terzijde noteer ik dat we, omdat we aan Kips sr. kenbaar wilden maken dat het alleen zou gaan om persoonlijke unfinished business van lang geleden oftewel biografisch existentiële opruimingswerkzaamheden en niet om een eventuele juridische procedure, geen bandopnemer hadden meegenomen.
We waren een à twee uur met ons drieën bij elkaar. Kips sr. deed naar mij toe even joviaal en quasi-kameraadschappelijk als ruim twintig jaar eerder. ‘Ja, Maud en ik hebben een seksuele relatie gehad,’ was hij bereid hardop te zeggen; dat was alles wat er – voor zover ik mij herinner – uit kwam. Indrukwekkend, praktisch een variant van wat in de psycho-analyse bekend staat als ‘overdracht’ en ‘tegen-overdracht’ tussen therapeut en client, beleefde ik aan de onverwoordbare interactie tussen Kips en zijn dochter. Als getuige ‘vibreerde’ ik bijna lijfelijk ‘mee’ hoe Maud niet héén kwam door het pantser dat Kips sr. om zich heen had. Terwijl ik het nu, alweer na ongeveer vijftien jaar, opschrijf, ga ik bijna aan mezelf twijfelen. Hoe kan het dat iemand in een toch vrij speciaal, nauwelijks meer juridisch of anderszins bedreigend sociaal netwerk zoals dat waarin Maud, Kips sr en ik daar en toen met elkaar spraken, totaal niet hardop tot enig inzicht komt over wat hij aangericht heeft? Deze vraag aan mijzelf lijkt op die van blz. 18.
Hij lijkt retorisch, maar is evenzeer uitdrukkelijk niet retorisch bedoeld. Alleen is deze vraag niet als een verkapte uiting van zelfgenoegzaamheid, en ook niet als een uitroep van verontwaardiging. Hij is ook weer gewoon als vraag. Ik wil de inhoud en strekking ook van deze vraag zakelijk, toegepast-filosofisch, kentheoretisch en antropologisch, aan de orde stellen. ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’ – het is niet aan mij als bystander om morele oordelen te vellen. Maar waarde-vrij is ook deze vraag niet. Ik stel opnieuw de vraag aan mezelf: welke omstandigheden hebben gemaakt dat ik niet zoiets gedaan heb? Ik ben nu bijna aan het slot van het eerste deel van dit essay en alleen daarin zou ik het persoonlijke laten meespelen.
Kips sr. is intussen, kort na ons bezoek, overleden. Daarmee is voor Maud noch voor mij de zaak gesloten. Zowel Maud als ik hebben, ieder op onze eigen manier, gedachten en voorstellingen over wat ‘hierna’ met ons gebeurt. Dat zogenoemde ‘hierna’ is voor ons beiden tegelijk de start van het ‘hiervoor’ voor je volgende incarnatie en moet dus ‘hiertussenmaals’ genoemd worden. Je beleeft in dat ‘hiertussenmaals’ virtueel en ‘omgestulpt’ aan jezelf wat je tijdens je voorbije leven aan anderen fysiek gedaan en meegemaakt hebt. Over die gedachten mijmeren wij af en toe. Geschikte woorden om er over te communiceren, hebben we nog niet, en zeker niet om er over te schrijven.
Vkblog
Niet alleen inzake de verschillende aspecten van ons beider relatie met Kips sr. kregen Maud en ik een hechte relatie. Maud bleek in onze Erasmus Universiteit rechten gestudeerd te hebben, met speciale aandacht voor de ietwat tegendraadse richting in het strafrecht die bekend staat als het abolitionisme en waarvan de Rotterdamse hoogleraar Loek Hulsman een van de prominente vertegenwoordigers was. Ze was geïnteresseerd in mijn onderwijs in de filosofie in verband met de geneeskunde, en kwam op basis van een gastvrijheidsovereenkomst meedoen in onze vakgroep.
Zo ontspon zich een creatieve samenwerking tussen ons beiden in het medisch-filosofisch onderwijs in de EUR, en sinds 2002, toen ik door de Rijksoverheid te oud werd bevonden om nog langer regulier te mogen werken en ik met pensioen gestuurd werd, zetten we onze samenwerking langs andere wegen voort – vanaf november 2008 vooral als bloggende burger-journalisten in de blogrubriek van de Volkskrant.
Het Vkblog was destijds een populair platform was voor amateur-journalisten. Blogging Apart Together schreven en debatteerden wij op onze eigen en elkaars blogs genaamd ‘Juristerij’ (Maud onder de naam ‘Meesterzusje’) resp. ‘Middernachtszon’ (ik, gewoon onder mijn eigen naam), en beleefden daar veel aardigheid aan tot de Volkskrant in augustus 2011 dit succesvolle medium liquideerde.
Zwijgplicht
Our finest hours beleefden wij vanaf begin 2010 met blogs over het onderwerp van dit essay en daaraan gerelateerde onderwerpen.
‘Echte mannen neuken niet’ over het celibaat bezorgde ons vele tientallen reacties – uiteraard allemaal alleen van geestverwante bloggers; ervaringsdeskundigen in het celibataire vlak lieten niet, zoals nooit in het publieke debat, van zich horen.
Een bijzondere anticipatie op dit essay was het ‘gastblog’ dat Meesterzusje op de Middernachtszon d.d. vrijdag 2 april 2010 schreef onder de titel ‘De door het kerkrecht afgedwongen zwijgplicht van misbruikte kinderen is het ultieme schandaal’. Het staat in zijn geheel in de Aantekeningen op blz. 00-00.
Verschillende malen blogden wij over televisie-uitzendingen over het onderwerp van dit essay, wat met name bij de mediagenieke kunsthistoricus annex officieuze kerk-voorlichter Antoine Bodar een enkele keer interessante reacties opriep. Gedenkwaardig is voor ons ook ons blog over de uitzending van ‘De wereld draait door’ van 11 maart 2010, waarin Frans Schaars vertelde over hoe hij als kind door een priester op schoot was genomen en die priester hem vol enthousiasme een boek liet zien met plaatjes van blote mensen; ik noem het als zeldzaam voorbeeld van een waarschijnlijk relatief onschuldig misbruik-incident waarover de betrokkene zelf tientallen jaren na dato kon lachen – maar met de nadruk op ‘waarschijnlijk relatief’ onschuldig, want wie ben ik om als buitenstaander te beoordelen wat hier werkelijk gebeurd is.
Incidenteel kregen we woedende reacties van ultra-montane gelovigen die niet tolereerden dat over het probleem van de kerk in het openbaar gedebatteerd wordt, wat uiterst leerzaam werkte. ‘Pour se disputer, il faut être d’accord’, zeggen ze in het Frans: om vruchtbaar met elkaar in debat te gaan, moet je het over enkele fundamentele uitgangspunten met elkaar eens zijn, anders blijf je zinloos langs elkaar heen praten.
Juist zulk minimaal vereist accoord bleek in onderwerpen als het probleem van de kerk en aanpalende thema’s soms niet te bereiken, overigens ex aequo, op voet van gelijk-heid, met de antroposofie en daarmee samenhangende thema’s (de Vrije School!): bien étonnés maar niet heus de se trouver ensemble …
KLOKK
En toen kwam, eind 2010, een mail van Annemie Knibbe, een vrouw die ik in de jaren tachtig eenmaal had ontmoet toen ze in Maastricht geneeskunde studeerde. Ze was betrokken geraakt bij het sindsdien levensgroot naar buiten gekomen probleem van de kerk, las onze blogs, wilde contact met Meesterzusje, en vroeg naar de whereabouts van Meesterzusje. Daarna en daardoor werd alles anders.
Ons gezamenlijke blogwerk kwam op de achtergrond, stopte op 22 augustus 2011 toen de Volkskrant ermee stopte, maar vooral werd Maud in korte tijd juridisch medewerker van meerdere ‘slachtoffer-’ / ‘lotgenotengroepen’, onder andere de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik KLOKK en vertrouwenspersoon van een groot aantal individuele betrokkenen.
Dat hoeft geen verbazing te wekken gezien de unieke mix die zij in zich heeft van enerzijds professionele deskundigheid inzake recht inclusief operationele kennis van de filosofie en anderzijds gruwelijk levensechte persoonlijke ervaringsdeskundig-heid inzake het probleem. ‘Priesters worden soms met “vader” aangesproken, de paus zelfs met Heilige Vader,’ merkte ze eenmaal naar mij toe in de wandelgangen op; ‘dat relativeert de verschillen tussen wat mijn jongens hebben meegemaakt en wat mij overkomen is’. Van zeer groot belang is deze observatie, zakelijk-inhoudelijk bezien, niet, maar hij illustreert hoe persoonlijk intiem en tegelijk afstandelijk de informele relaties zijn tussen Maud en de mannen die ze bijstaat; haar woordkeus “mijn jongens” illustreert de bijzondere sfeer van herkenning en verwantschap waarin zij werkt met de mannen die nu in het reine proberen te komen met wat ze als kind in de kerk meegemaakt hebben. Overigens komen nu ook steeds meer vrouwen die als kind misbruikt zijn in het perspectief.
2. Waarheidsvinding over aardse zonden in verband met wat hierna komt: overwegingen voor het vervolg-traject
Inleiding
‘Maak het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk’ was het leidmotief in het eerste deel van dit essay. In dit tweede deel ben ik alleen, althans zo zuiver mogelijk, als neutrale amateur filosoof annex onderzoeksjournalist betrokken bij het probleem van de kerk. Dit deel is vooral bedoeld als materiaal voor het werk dat verricht zal worden nadat de Commissie Deetman haar eindrapportage zal hebben afgeleverd.
Publiciteit
Religie, godsdienst, geloof, het transcendente, het arcanum, de christelijke leer, het atheïsme, de kinderjaren in de ontwikkeling van de mens en de bijbehorende noodzaak tot opvoeding, het celibaat, seks en de rooms-katholieke kerk als instituut worden zelden samen in één perspectief beschouwd. In verband met het misbruik-schandaal is er aanleiding voor speciale aandacht, want samengenomen vormen ze een brisante mix.
Dat was altijd al zo. Nu zijn daar twee nieuwe elementen bij gekomen: seks met kinderen en het door de machtspositie van de priesters mogelijk geworden misbruik van die kinderen zoals zich dat nu heeft voorgedaan. De vraag in hoeverre seksueel misbruik van kinderen door priesters als zodanig vroeger ook voorkwam, laat ik liggen. The past is a different country, they do things differently there – onze kennis en begrip over wat in het verleden gebeurd is, hebben we altijd uit de tweede hand. Nieuw is dat nu in de publiciteit bekend is geworden dat dit seksueel misbruik van kinderen vele tientallen jaren lang op grote schaal heeft plaats gevonden en dat de kerk met meldingen hierover al die jaren is omgegaan op een nu door steeds meer mensen in steeds sterkere bewoordingen als onjuist beoordeelde manier.
Die twee nieuwe elementen maken van die mix iets totaal anders dan hij eerst was. Over dat nieuwe gaat dit essay.
Uiteraard komt geregeld de vraag ter sprake waardoor dit heeft kunnen gebeuren. In dat verband worden vooral drie oorzaken genoemd: het celibaat, de geheimhoudingsplicht en de bijzondere macht en invloed die de kerk van oudsher op haar gelovigen uitoefent.
Deze drie factoren zijn zeker pertinent maar er is méér. De wereld wordt steeds meer een ‘global village’. De mensen willen en kunnen steeds meer van elkaar weten en kunnen steeds meer aan elkaar meedelen.
Wetenschap en filosofie boeken grote vooruitgang. Er komt steeds meer kennis en begrip inzake hoe mensen omgaan met zich zelf en elkaar in het algemeen en met lichamelijkheid en seksualiteit in het bijzonder.
Deze toename in kennis en begrip is niet meer alleen een zaak van professionals. Door de toenemende impact van de media sinds het midden van de vorige eeuw wordt steeds meer informatie voor steeds meer mensen gemakkelijk toegankelijk. Dat is het goede nieuws. Er is ook ‘slecht nieuws’, of, iets meer relativerend gezegd: aan dit goede nieuws zijn ook negatieve aspecten te onderkennen. In de steeds omvangrijker veelheid van informatie wordt het steeds lastiger te onderscheiden wat waarheid is, wat overdrijving, halve waarheid, onwaarheid, verzinsel, leugen is. Als iemand zegt iets niet (meer) te weten, wordt het steeds lastiger te beoordelen in hoeverre dit echte of geveinsde of half-bewuste onwetendheid is.
Onverenigbaarheden
Deze onzekerheid weerspiegelt zich in de onduidelijke ‘status’ van uitspraken van de algemene strekking als ‘dit-of-dat is bekend’. Dat roept steeds meer vragen op als ‘aan wie is dit-of-dat dan bekend, kan ik beoordelen of het waar is, in welke mate hecht deze of gene persoon geloof aan wat als zijnde “bekend” wordt meegedeeld’, en andere.
Dit alles geldt natuurlijk inzake alles wat in de wereld gebeurt. Inzake een extreem beladen onderwerp als het seksueel misbruik van kinderen door katholieke priesters geldt het in versterkte mate. Sterker dan inzake andere thema’s is hier kennis over sommige aspecten onverenigbaar met kennis over andere aspecten.
Om te beginnen is ervaringsdeskundigheid inzake de praktijk van de seks totaal onverenigbaar met het gelijktijdig celibaat. Dat betwist niemand.
In een heel ander perspectief kent de ‘ervaringsdeskundige’ die als kind zulk misbruik aan den lijve heeft ondervonden, aspecten van de seksualiteit die anderen niet kennen.
Niet persoonlijk beladen, maar ook relevant is dat priesterschap niet verenigbaar is met onderzoeksjournalistiek naar de normen van de journalistiek in de vrije wereld.
Zo zijn er nog meer combinaties elementen die in hun samenhang niet door één persoon gekend, begrepen en verwoord kunnen worden. Maar als het niet kan zoals het zou moeten, dan moet het maar zoals het zo goed mogelijk kan. De zaak van onze kennis en onwetendheid inzake seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters heeft daardoor iets van een doolhof. Ik zie aan deze doolhof vier ingangen.
(1) De eerste ingang is eenvoudig. Die leidt naar wat relatief probleemloos bekend is omdat het in de traditionele media gepubliceerd is. Noteer de cursivering van ‘relatief’. Op blz. 5 kwam al ter sprake hoe in de twee jaar waarin nu gewerkt is aan het probleem telkens weer berichten herroepen moesten worden. In hoofdstuk 2.1. gebruik ik twee items om toe te lichten hoe het probleem in de ‘oude media’ verschenen is.
(2) Met de tweede ingang, communicatie in cyberspace wordt het al moeilijker. De ‘nieuwe’, zogeheten sociale media zijn op een paradoxale manier tegelijk opener, beter toegankelijk en dynamischer en, juist door hun onbeperkte toegankelijkheid voor praktisch iedereen, minder transparant en misleidender dan wat in de ‘oude’ media verschijnt. Ook hier, hoofdstuk 2.2., citeer ik slechts twee stukjes tekst.
(3) De derde ingang leidt naar een moeilijker onderwerp, het transcendente, het op blz. 12 al even genoemde numineuze. Die ingang is voor gewone stervelingen eigenlijk afgesloten: wij kunnen, mogen per definitie niet weten wat alleen bekend kan zijn aan de priester. Alleen hij heeft toegang tot kennis over wat na de dood gebeurt. Die ingang leidt dus vooral tot veel vragen en onzekerheden. Daarin komen aspecten van het probleem ter sprake die in de oude noch de nieuwe media aan de orde zijn geweest.
(4) De vierde ingang geeft een impressie op wat tegenwoordig gaande is in de filosofie, de wetenschap en de esoterie. Die leveren materiaal voor beter begrip van het probleem van de kerk dat in de publiciteit nog niet de aandacht heeft gekregen die het verdient. De cognitieve psychologie, blz. 4, 14 – 17 en elders is onmisbaar voor goed begrip en ook de nieuwe wind die in de esoterie waait geeft inspiratie voor beter begrip.
(5) De quintessens ligt in het centrum van de doolhof: hoofdstuk 2.5.
Een doolhof met vier ingangen en een geheim centrum – dat klinkt overzichtelijk en schematisch. De werkelijkheid is ingewikkelder. Eenmaal binnengekomen in de tekst zal de dolende lezer in ieder hoofdstuk ook dwarsverbanden vinden.
2. 1. ‘Wir haben es nicht gewusst’
Chronologisch begon communicatie over het probleem van de kerk al eind vorige eeuw in cyberspace, maar die werd toen niet in ‘de publiciteit’ opgepakt. De eerste ingang tot de doolhof waar iedereen nu kennis van heeft loopt dus via de ‘oude’ media, de gedrukte pers en de televisie. Aan twee items, één van de buis en één uit de krant, en uit elk van beide ‘kampen’, het ‘kamp’ van de daders / plegers en dat van de slachtoffers één item, laat het probleem van de kerk zich trefzeker samenvatten.
Kardinaal Simonis
Leidmotief in dit essay is de vraag wat wel en niet bekend is en wat wij kunnen weten over seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters. Dit leidmotief is geïnspireerd op een zeer bekend geworden uitspraak.
‘Wir haben es nicht gewusst’, zei Adrianus kardinaal Simonis op 23 maart 2010 bij Pauw en Witteman. Hij zei er meteen bij dat hij wist dat hij een ‘beladen term’ gebruikte, en uit zijn lichaamstaal, mimiek, gebarentaal en uitstraling konden de kijkers / luisteraars afleiden dat hij dit voorbehoud wèloverwogen toevoegde. Maar hoezeer hij zich ook vooraf mag hebben voorbereid op de impact die zijn vergelijking zou hebben – hij realiseerde zich kennelijk niet bij benadering de zwaarte en de explosieve aard van die lading. Onbegrijpelijk is ook dat de voorlichters en media-adviseurs van het episcopaat, met wie Simonis toch vrijwel zeker overleg zal hebben gehad bij de voorbereiding van zijn optreden, hem niet gewezen hebben op de totale onbruikbaarheid van deze uitdrukking in verband met het probleem van de kerk.
Wat zich voor, tijdens en na de uitzending van P&W in het gemoed van de kardinaal heeft afgespeeld, en hoe hij er intussen over is gaan denken, zal waarschijnlijk voorgoed geheim blijven, ook voor Simonis zelf – althans voor goed in dit ene leven.
Hoe het ‘hierna’ zal gaan, hoe de kardinaal zal antwoorden wanneer hij verantwoording zal moeten afleggen aan God [ik gebruik nu even het geijkte idioom], is een andere zaak; zie voor hoe ik zelf denk over dat aspect van het leven en wat daarna komt mijn opmerking over Kips sr. in het hiertussenmaals op blz. 22.
Icoon-alibi
Vooruitlopend op eventuele onthullingen die wellicht ooit toch zullen komen, noteer ik hier dat Simonis in zijn ‘… nicht gewusst’-beeldspraak twee van de meest fundamentele determinanten van het mens-zijn op elkaar heeft laten knallen: die van de christelijke boodschap en die van het kind.
Christus was een jood en het effect van dat gegeven is een van de belangrijkste motieven in de wereldgeschiedenis sinds, op z’n laatst, het jaar nul. Leven en werk van Adolf Hitler en zijn volgelingen was het diepst mogelijke dieptepunt in de uitwerking van dat motief. ‘Wir haben es nicht gewusst’ is het luguber-triviale ‘icoon-alibi’ waarmee met name Duitse overlevers zich na 1945 meenden te kunnen vrijpleiten. Wie zich daarop beroept, vergeet wat de slang in het paradijs in één zin tot Eva sprak: ‘Gij zult zijn gelijk de goden, kennende goed en kwaad’. De mens kan alles weten en deze potentieel goddelijke alwetendheid omvat ook alles wat we moeten weten over goed en kwaad. Zou Simonis zich bewust zijn van het feit dat het nazisme oude, zwart-occulte pseudo-religieuze wortels had?
Het kind als determinant van het mens-zijn is een kernthema in de christelijke boodschap. Zonder enige twijfel kent de kardinaal de tekst van Matth. 18:3 in het boek waarin wel meer staat dat relevant is in verband met het probleem van de kerk: ‘Indien gij niet wederom wordt als de kinderen, zult gij het Rijk der hemelen nooit binnengaan.’ Alleen: wie durft te zeggen dat hij echt weet wat hier staat? Echt weten is het vermogen om de werkelijkheid daadwerkelijk zo op te vatten als ze is – maar deze omschrijving van ‘weten’ komt uit de nieuwe inzichten van de psychologie en de filosofie die in hoofdstuk 4 aan de orde komen en ik ben er niet zeker van in hoeverre Simonis zich die eigen gemaakt heeft. Daarom nu alleen de vraag in hoeverre Simonis ook van wat ik in dit essay ter discussie stel zal menen te kunnen zeggen ‘ik heb er geen weet van’ – even aannemende, een helaas niet erg plausibele veronderstelling, dat hij het zal lezen.
Rumpus
De beeldspraak van Simonis werd destijds aanleiding tot enige rumpus (= consternatie, rumoer, opwinding) in de media. Hij zei daarop publiekelijk spijt te hebben van zijn uitspraak ”wir haben es nicht gewusst”, en noemde de beladen woorden ”achteraf ongelukkig gekozen. … Ik heb er geen kwaad mee willen doen.”
Dat laatste was zonder twijfel waar. Hij heeft uit zich zelf zeker niet bewust kwaad willen doen. En ik neem althans aan dat hij de actuele zaak van het seksueel misbruik qua ernst en omvang zoals hij dat zelf zag en hoogstwaarschijnlijk nog steeds ziet, niet in alle ernst wilde vergelijken met het nazisme.
Maar onthullend was zijn keuze van deze woorden des te meer. Tussen de regels onthulde mgr. Simonis zonder dat hij zich daarvan bewust was, dat het wel of niet weten in verband met deze zaak veel verder reikt dan zoals hij het in de uitzending hardop zei en, onbewust, ook bedoelde te zeggen. Net als het begrip ‘probleem’ kan het woord ‘weten’ in een ongekend nieuwe en controversiële zaak als deze niet lichtvaardig gebruikt worden. Weten, begrijpen, kennis, hebben veel facetten. Niet weten, half weten, niet weten dat men niet weet, niet willen weten, niet durven weten, niet willen of durven toegeven dat men weet, verdrongen hebben en nog veel meer nuances zijn in een zaak als deze belangrijk. De woorden ‘beerput’ en ‘doofpot’ die in dit verband worden gebruikt, zijn adequate metaforen. ‘Letterlijk tot in de dimensie van het transcendente reikend onbenul’ vat naadloos samen hoe Simonis in het probleem van de kerk staat.
Schande
Het andere item uit de oude media illustreert iets van de beleving door wie dit misbruik ondergaan hebben. Ik heb in onderstaand citaat uit de NRC Handelsblad vier uitspraken gecursiveerd in de vier genummerde passages; op blz. 31 – 32 licht ik ze toe.
‘Zeven priesters hadden … het slachtoffer misbruikt op een jongensinternaat … Zijn leven lang had het slachtoffer gezwegen. Verdringing, walging en schaamte weer-hielden hem ervan het zelfs tegen zijn vrouw te vertellen. Daar had hij spijt van, nadat zij in 2002 was gestorven (1). Zijn bekentenis zou veel verklaard hebben over zijn gedrag in het gezin, zegt het nu 76-jarige slachtoffer wiens identiteit door de krant beschermd wordt. … In het tweede studiejaar begon het misbruik.
Vaak maakten de priesters hem ’s nachts wakker op de slaapzaal en namen ze hem mee. ’s Morgens moest hij biechten bij zijn misbruikers (2). … In 1953 stelde een hoge salesiaan orde op zaken, nadat geruchten het hoofdbestuur van de salesianen in Rome hadden bereikt. De directeur werd overgeplaatst. Het slachtoffer werd van school gestuurd, mocht zijn gymnasiumopleiding niet afmaken. „Ik weet het nog goed. Het was 1 februari, de dag van de watersnoodramp. Voor mij was het een dubbele ramp. Met wat geld voor een treinkaartje stond ik buiten. De schande voor mijn ouders was groot.” (3) Het zou zijn verdere leven beheersen. (4)’
Core business
(1) Dit is een van de weinige plaatsen in alles wat ik tot nu toe gezien en gelezen heb waar, indirect en alleen tussen de regels door, iets tot uitdrukking komt van de core business van kerk. Ingrijpende gebeurtenissen zoals dit misbruik kunnen doorwerken tot in het leven hierna, door mij hiertussenmaals genoemd (zie blz. 22). Deze overweging is natuurlijk alleen relevant voor wie in een of andere vorm van persoonlijk voortbestaan hierna gelooft, maar juist in een betoog over de essentie van de rooms-katholieke kerk hoeft een aanvulling van deze strekking niet, of alleen pro forma, gegeven te worden.
(2) Hier komt iets tot uiting van de dialectiek in de relatie dader – slachtoffer die in elke situatie kan optreden waarin een machtiger persoon een ander mishandelt, maar die dus in dit verband het dubbele overwicht van de priester in leeftijd en in moreel en feitelijk gezag bijzondere flavour krijgt. De tekst van de gastblog van Maud Kips op blz. 58 – 62 van de Aantekeningen geeft nadere achtergrondinformatie.
(3) Hier manifesteert zich een typisch ‘metabletisch’ aspect van het fenomeen (zie over ‘metabletisch’ blz. 9 – 10): het morele en spirituele gezag van rooms-katholieke priesters was in de jaren waarin dit misbruik plaats vond zo absoluut, dat de ouders van de mis-bruikte kinderen vaak niet konden of wilden, in zekere zin zelfs niet mochten geloven wat er werkelijk gebeurd was.
(4) Dit is dus letterlijk wat ik op blz. 3 onder nummer (1) aanduidde.
2. 2. ‘ … een hel voor de bisschoppen en oversten’
Naar en in de doolhof die het probleem van de kerk vormt, zijn vele meer of minder geheime gangen. Eén gangen-complex bestaat pas sinds een paar jaar. Het voert naar sociale netwerken die ontstaan en onderhouden worden op websites, in blogwerk en via andere vormen van communicatie in cyberspace.
In cyberspace manifesteren de ‘wij’ die ik op de vorige bladzijden introduceerde en die (van) alles wel en niet weten, zich anders dan op de televisie en in de gedrukte media. In cyberspace mag en moet ik andere verwachtingen hebben inzake antwoorden wanneer ik vragen stel als ‘wie is de persoon die dit-of-dat beweert, hoe betrouwbaar is wat hij zegt, hoe kan ik me vergewissen van de waarheid van wat hij brengt?’ en andere vragen van die strekking.
Alleen al in de traditionele media zijn waarheid en onwaarheid intiem en vaak onontwarbaar met elkaar verstrengeld. Wat wordt gecommuniceerd in de zogeheten sociale media, is een heel ander verhaal – beter gezegd: een heel ander, veel sneller werkend en veranderend netwerk van door elkaar lopende verhalen.
In cyberspace vindt intens verkeer plaats van berichten, commentaren, persoon-lijke onthullingen, discussies en andere communicatievormen over seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters. Betrokkenen melden hun ervaringen en delen hun gevoelens daarover met elkaar, elke dag verandert het beeld van wat wel en niet bekend is. Het is zelfs de vraag of je wel kunt spreken van een ‘beeld’ van wat wel en niet ‘bekend’ is. Essentieel voor cyberspace is nu juist dat daar niet één, qualitate qua ‘objectief’ voor iedereen gelijkelijk quasi-zichtbaar-objectief ‘beeld’ is. Communicatie in cyberspace vindt ook plaats in een taal die er vroeger niet was. De relatie tussen deze taal en de werkelijkheid is een andere dan die tussen de werkelijkheid en het gesproken, geschreven en zwart-op-wit op papier gedrukte en verspreide woord.
Onder andere daarom blijft dit hoofdstuk erg kort. Maar het is een belangrijk aspect. Talloze mensen die als kind misbruikt zijn en nu naar buiten komen, hebben elkaar leren kennen en communiceren nu onder andere met elkaar in cyberspace. Dat geeft de actuele verwerking van het misbruik in cyberspace een eigen dynamiek.
Dit hoofdstuk bestaat uit twee passages over het probleem. De ene is een deel van een tekst van Wim Doesborgh op de site van ‘Tussen Kerk en Geloof’ van De Limburger en het Limburgs Dagblad, 13 december 2010. De andere is een reactie daarop. Vooral om wat in die reactie gezegd en gesteld wordt, gaat het. Dat past helemaal bij wat ik dit essay wil zeggen.
Openheid
‘Het tussenrapport van de commissie- Deetman is vernietigend voor Hulp & Recht, het “hulploket” van de katholieke kerk,’ opent Doesborgh. ‘Maar hoe sterk kan een nieuwe klachtencommissie zijn die Deetman wil, als die weer door de kerk zelf wordt benoemd? Het wordt even diep doorademen voor de Nederlandse bisschoppen, als ze dinsdag in Utrecht bijeenkomen voor hun maandelijkse conferentie. De adviezen van de commissie-Deetman voor een betere aanpak van seksueel misbruik in de kerk gaan namelijk allemaal één kant op: véél meer openheid en transparantie tonen, alle hande-lingen en besluiten zichtbaar maken. Slachtoffers moeten kunnen volgen wat er met hun klacht gebeurt en bisschoppen moeten verantwoording afleggen voor hun handelen.
“Je moet het eigenlijk zo van internet kunnen plukken”, zei Deetman gisteren in Den Haag bij de toelichting op zijn rapport. En dat is nu precies de plek waar het bij de kerkleiders ‘au’ doet. Openheid. Je hele organisatie transparant maken, zeggen waarom je iets wel of niet doet. De meeste bisschoppen zullen daar de grootste moeite mee hebben. Bisschoppen kunnen op het persoonlijke vlak integer en begripvol zijn, in de hogere regionen van de kerkelijke hiërarchie heersen ijzeren wetten, waaraan ze niet zo maar voorbij kunnen gaan. De strenge top-down bestuursmacht (Rome), de zwijg-cultuur bij lastige praktijken en de ingeslepen reflex om elke verandering met ‘nee’ te beantwoorden, zitten diep. Transparantie en verantwoording afleggen is bepaald geen dagelijkse kost voor prelaten.
Maar het zal moeten gebeuren, vindt Deetman, … . Openbaarheid moet de “hoeksteen worden van nieuw beleid”. De nieuwe klachtencommissie zal jaarlijks moeten zeggen wat ze doet in een openbaar jaarverslag met publicatie op internet, voor iedereen toegankelijk. Meldingen, klachten, uitspraken, adviezen aan kerkelijke autoriteiten, het moet allemaal in het volle zonlicht. De lezer kan daar ook vinden hoe een bisschop of overste van een congregatie omgaat met de klacht en hoe die optreedt tegen een dader. De commissie op haar beurt geeft daar weer een oordeel over. Kortom: we moeten alles straks op de voet kunnen volgen.
Maar één vraag blijft loodzwaar boven de zaak hangen: waarom gaat de kerk straks toch weer zelf de mensen benoemen die in de nieuwe commissie plaatsnemen? Had de kerk niet al zelf bestuur en adviescommissie van Hulp & Recht benoemd, waar, naar nu blijkt, ver onder de maat is gepresteerd? Hebben kerkhistoricus Peter Nissen en Mea Culpa United-voorman Bert Smeets in hun eerste reactie gelijk als ze zeggen dat Deetman lang niet ver genoeg gaat? Dat hij een commissie had moeten aanbevelen die helemaal los staat van de kerk? Deetman was gisteren duidelijk een beetje gepikeerd, toen hem meerdere keren die vraag werd voorgelegd. “Of de bisschoppen doen niets en laten het aan anderen over. Of ze pakken het op en gaan het ook echt oplossen”, antwoordde hij. “Er is moed voor nodig om zelf de problemen aan te pakken die in jouw eigen huis zijn ontstaan. Ongeacht wat anderen op dat moment doen en vinden.” … Critici van Deetman roepen dat de geur van de slager die zijn eigen vlees keurt, boven de kerk zal blijven hangen, als deze zelf de nieuwe commissie invult. Maar Deetman is ervan overtuigd dat verregaande openbaarheid elke onduidelijkheid zal uitbannen. … Belangrijker dan de vraag of de kerk benoemt en financiert is de komst van echte professionals die de zaak snel vlot trekken. In het belang van de slachtoffers die al veel te lang hebben gewacht. Gebeurt dat werkelijke in alle openheid, dan kan iedereen zelf zien in hoeverre de commissie echt onafhankelijk kan opereren. Al zal het daarbij steeds een hels karwei worden de kerk in het midden te laten. ‘
Tot zover de tekst van Doesborgh. Op die tekst kwam de volgende reactie:
Bovenmenselijke gezag
‘Het moet een hel zijn voor de bisschoppen en oversten. Steeds weer moeten zij bekennen dat zij wisten wat ze eerst ontkend hebben. Zij spannen zich in te blijven voldoen aan de verwachting van een bovenmenselijke waardigheid en gezag. Ze moeten indruk maken als rechtvaardige rechters in waarheidsvinding en berechting van misdrijven waarbij zij zelf in meerdere of mindere mate betrokken zijn. Nooit eerder hebben zij publieke verantwoording hoeven afleggen in de samenleving, en nu wordt plotseling van hen verwacht dat zij dat wel doen. De protestantse bestuurder dicht de katholieke “bestuurders” bovenmenselijke krachten toe – dezelfde bovenmenselijke krachten die deze zichzelf toedichten. Dat is wonderlijk, maar niet verheugend.
In de bespreking van het sexueel misbruik raakt soms buiten beeld dat dit mis-bruik vaak plaatsvond in een keten van macht, geweld, totale isolering en onderwerping. Er was geronseld, er werd opgesloten. Ouders werden onder druk gezet. Dit alles kon gebeuren omdat we geloofden in het bovenmenselijke gezag van de religieuzen.
Zoals veel andere “slachtoffers” noem ik mijzelf overlever. Ik ben niet alleen iemand die lijdt onder het geweld en misbruik dat ik ervaren heb, maar dat lijden herinnert mij ook dagelijks eraan dat ik moet getuigen. Het gaat immers om misstanden die niet alleen ons troffen, maar die ook onze belagers vóór ons meestal getroffen hadden. Wij willen deze keten van geweld en lijden graag stoppen. Wij willen uit deze geschiedenis stappen, dat bedoelen we met overleven.
Zowel in mijn eigen belang als in het belang van de tegenpartij die verant-woordelijkheid draagt voor een misdrijf, wil ik hen als mensen, als medeburgers kunnen aanspreken. Daar is een externe macht bij nodig die niet gevoelig is voor aannames van bovenmenselijkheid van de ene partij en minderwaardigheid van de andere partij. De rechtsstaat laat ons in de kou staan als zij dit oude rechtsvacuüm niet opent. De rechtsstaat is er dan niet voor ons, en onze volksvertegenwoordigers vertegenwoordigen ons dan niet. Daartegen blijven wij ons verzetten. Een parlementaire of justitiële commissie is nodig waarin de kerkelijke verantwoordelijken onder ede moeten getuigen over wat zij weten en hoe zij in het verleden omgegaan zijn met de waarheid en de verantwoordelijkheid voor de toegebrachte schade. De heer Deetman gebruikt een financieel argument om de kerk en haar slachtoffers in hun rechtsvacuüm te laten zitten. Onthutsend.
Het stoppen van deze keten van geweld heeft niet alleen betekenis voor de Nederlandse geloofsgemeenschappen waarin dit opnieuw kan gebeuren, vooral daar waar zij een gesloten karakter hebben. Het heeft ook betekenis in een wereldwijd machtsmisbruik. Er is immers een essentieel element dat in onze verhalen niet gemist moet worden, en dat is dat veel van onze moeders gedwongen werden tot het krijgen van meer kinderen dan zij verzorgen konden. Zij aanvaardden dat vaak heel liefdevol. Maar als zij niet meer in staat waren ons te verzorgen, dan werden zij zeer nederig en schuldbewust tegenover de macht van onze misbruikers.
Op wereldwijde schaal worden nog steeds miljoenen vrouwen gedwongen om meer kinderen te krijgen dan zij kunnen verzorgen. Ze raken daardoor in een diepe ellende en afhankelijkheid van macht en misbruik. Gedwongen afstand van baby’s en kinderen, afstand onder druk, veelvuldige heimelijke abortussen: het kan allemaal beter voorkomen worden. Een kerk die dat afdwingt met indrukwekkende macht, heeft nog veel meer uit te leggen dan het sexuele misbruik dat hier maar één van de negatieve gevolgen van is. Zij heeft er dan ook belang bij dat er geen democratieën ontstaan waarin zij zich moeten verantwoorden voor de gevolgen van hun beleid.
Wij willen graag dat onze geschiedenis gelovigen in ons land ook hierover aan het denken zet en dat zij onderzoeken welke verantwoordelijkheid zij als gemeenschap-pen hierin kunnen nemen. Het Rapport van de commissie Deetman legt de onkunde bloot van Hulp en Recht, maar blijft de ogen sluiten voor de oorzaak van die onkunde. Die ligt in het geloof in de priesters en bisschoppen als wezens van een andere orde dan de mensen.
Een door de bisschoppen ingestelde commissie en expertisecentrum? Bevrijd zowel overlevers als bisschoppen van de onhoudbare aanname van betrouwbaar gezag. Dat is er niet meer en dat kan op diezelfde basis ook niet hersteld worden. Zoals veel andere ‘slachtoffers’ noem ik mijzelf overlever. Ik ben niet alleen iemand die lijdt onder het geweld en misbruik dat ik ervaren heb, maar dat lijden herinnert mij ook dagelijks eraan dat ik moet getuigen. Het gaat immers om misstanden die niet alleen ons troffen, maar die ook onze belagers vóór ons meestal getroffen hadden. Wij willen deze keten van geweld en lijden graag stoppen. Wij willen uit deze geschiedenis stappen, dat bedoelen we met overleven.’
Annemie Knibbe
In verband met de schrijver van deze tekst zie blz. 24.
2. 3. De priester als pontifex: waarheen leidt zijn brug?
‘Pontifex’ is de Latijnse naam voor priester ‘. Dat woord is afgeleid van ‘pons’ = brug en ‘-fex’ = bouwer. ‘Pontifex’ betekent dus ‘bouwer van (de of een) brug’. In verband met de kerk gaat het om de ‘brug’ tussen het leven hier op aarde en …
… en dan wordt het moeilijk, want voor de plaats waar de brug toe moet leiden, voor datgene wat aan de andere kant van de brug is, zijn geen algemeen geaccepteerde woorden. ‘Gene zijde’ past mooi bij de metafoor van de brug en is in sommige kringen gangbaar, maar zegt hoegenaamd niets. De aanduiding ‘het voortbestaan na de dood’ heeft het zelfde bezwaar. ‘Iets hierná’ is weer een andere nietszeggende aanduiding, maar zelfs die gaat velen nog te ver. Volgens velen is er namelijk helemaal geen ‘hierná’ en dus geen andere kant van de brug en dus ook geen brug en is de notie van een ‘ponti-fex’ een hersenschim of erger.
De opvatting dat er zelfs niet ‘iets’ maar alleen ‘niets’ is, heet ‘agnosticisme’. Er bestaan twee vormen van. In haar strengste vorm stelt deze opvatting dat er helemaal geen hierná is, een iets mildere leert dat de mens als zodanig gedoemd is tot eeuwige onwetendheid inzake dit eventueel misschien maar hoogstwaarschijnlijk helemaal niet bestaande zogenaamde ‘hierná’. Het verschil is in verband met mijn essay niet essentieel. Volgens beide opvattingen is al het ‘pontificale’ louter illusie. Wie het zó ziet, kan de boodschap die de kerk brengt alleen zien als een soort giftig zoethoudertje om mensen troost te bieden. Volgens sommige agnostici is de neiging tot religiositeit zelfs niets anders dan een soort karakterneurose en Marx wordt onder meer nog soms geciteerd om zijn stelling dat godsdienst ‘opium van het volk’ is.
Zulke radicale, vaak als dogma gebrachte opvattingen zijn natuurlijk geen optie als je het probleem van de kerk in filosofisch-wetenschappelijke zin wilt opvatten zoals getypeerd op blz. 9. Pour se disputer, il faut être d’accord, noteerde ik al op blz. 23: om zinvol met elkaar te kunnen debatteren, moet je het vooraf over enkele grondslagen eens zijn. Bij een probleem zoals hier bedoeld, hoort niet alleen dat alle betrokkenen geacht worden bereid te zijn kennis te nemen van alle bijdragen tot verheldering die worden aangeboden en daar op in te gaan, maar ook dat iedereen de core-business van de kerk serieus neemt en die staat en valt met de aanname van een hierna in zeer concrete zin.
De visie van Carl Jung dat de anima naturaliter religiosa is, lijkt me voor dit essay een geschikte middenpositie tussen de stelling van Tertullianus die ik op blz. 4 aanhaalde en de fundamentalistische heidenen en atheïsten die hun eindoordeel op voorhand al klaar hebben en niet ingaan op pogingen tot discussie.
Antroposofie
Op blz. 12 – 13 bleek al dat ik allerminst rooms-katholiek ben, maar ik ben evenzeer geen agnosticus – integendeel. Ik ben antroposoof en ik geloof niet zozeer aan, maar weet in zekere zin zeker dat er zoiets als een hierna is.
Dat klinkt verontrustend zelfverzekerd. Noteer daarom het voorbehoud ‘(ik weet) in zekere zin zeker’. Ik weet in deze volgorde drie dingen zeker:
(1) dat ik ooit dood zal gaan,
(2) dat ik noch iemand met de zekerheid waarmee wij op aarde van alles weten weet of
hierna iets komt en zo ja wat, en
(3) dat de mens vrij is, althans vrij wil zijn en kan worden en dat die vrijheid zó ver gaat
dat wij onze werkelijkheid zelf construeren.
Dat laatste klinkt nog vermeteler dan de vermetelheid die ik aartsbisschop Léonard op blz. 9 toeschreef, maar het is het kernthema van de antroposofie en het leeft in allerlei varianten in de eigentijdse esoterie en het krijgt steun van de moderne filosofie en wetenschap, maar dat komt pas in hoofdstuk 2.4. Ik noem het hier alleen al even omdat ik dit derde hoofdstuk alleen goed kan schrijven vanuit iets dat ik niet anders kan aanduiden dan als, oh paradox, een gevoel van verwantschap met de pontifex.
Die vrijheid vatten de meeste antroposofen waaronder ik zó voorbehoudloos absoluut op, dat we uit respect voor de vrijheid van de ander die misschien helemaal niets wil weten van wat wij te melden hebben over een thema als een eventueel hierna, alleen met de grootste omzichtigheid, en bijna nooit uit onszelf daarover beginnen, maar soms doen zich situaties voor waarin ik toch meen dat ik er uit mezelf iets over moet zeggen en de actuele zaak van seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters is dus zo een situatie.
Om de discussie die ik met dit essay hopelijk entameer concrete inhoud te geven, moet ik de onbruikbaar vage aanduiding ‘iets hierná’ nader invullen. Gangbare begrippen als hemel en hel, ‘het eeuwige leven’, ‘Jenseits’ (= gene zijde) als contrast tot het ‘Diesseits’ (= het leven aan déze zijde van de dood) zijn voor mij – en volgens mij voor iedereen die er over dóórdenkt tot hij tot een voorlopig antwoord is gekomen – onbruikbaar. Hoe men het ook benoemt – een eventueel hiernamaals is een onderwerp waarover aardse wetenschap en filosofie zoals we die nu kennen uitdrukkelijk niets kunnen zeggen en dus weten wij daar niets van – maar het probleem van de kerk maakt het nu juist noodzakelijk dat we er wel iets over gaan zeggen.
Reïncarnatie?
De opening om toch iets te zeggen over een eventueel hierna ligt in de cursivering van het ‘na’ in het woord hiernamaals in de laatste alinea van de vorige paragraaf. Er is één opvatting over wat hierna komt, die openingen geeft voor een benadering via aardse filosofie en wetenschap. Dat is het idee van reïncarnatie.
Dat is een veelzijdig thema, dat vooral onzekerheid, twijfels en vragen oproept. Het minste dat ik er in verband met het thema van dit essay over moet zeggen, vat ik aldus samen. Als er enige waarheid steekt in het idee van reïncarnatie, zullen we ooit herinneringen krijgen aan vorige levens en daar dus weet van hebben. De uitspraak ‘reïncarnatie is realiteit maar we weten er niets van’, is leeg, void. Maar dat is iets voor langere termijn. Hier en nu is aan de orde dat wij in het perspectief van reïncarnatie na onze dood enige tijd verblijven in een hierna dat dus tegelijk een hiervoor is voor een volgend leven en dat daarom als ‘hiertussenmaals’ moet worden benoemd – het kwam al even ter sprake op blz. 22, 29 en 31; het is een soort limbus. Ons verblijf daar begint met een allesomvattende terugblik op het voorbije leven, het zogeheten ‘postmortale levenspanorama’. De herinnering daaraan nemen we mee naar een volgend leven. Die bepaalt mede het zogeheten karma dat we in dat volgende leven meenemen.
Als men het zó probeert te zien, en een eindweegs moeten rooms-katholieke pontifices die ik mede tot de doelgroep van dit essay reken, toch in die voorstelling kunnen meegaan, en onder meer daarom weid ik er hier over uit, krijgt het probleem van de kerk een nieuwe dimensie – en die hebben we ook nodig om verder te komen.
Het numineuze
Seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters speelt zich af achter meerdere, onderling verschillende ‘gesloten deuren’ van onwetendheid. Een van die gesloten deuren is ‘pot-dicht’. Hij draagt het opschrift ‘doofpot’. Dat woord is in de loop van 2010 gangbaar geworden, en dat is terecht.
Wrang in dit verband is de expliciete ontkenning door sommige kerkelijke gezagsdragers dat er een doofpot zou zijn (geweest), want zo een ontkenning is een logische drogredenering. Inherent aan het begrip ‘doofpot’ is immers dat het bestaan of niet-bestaan ervan zich per definitie niet laat bevestigen of ontkrachten. Subliem wrang is de intieme verbinding tussen ‘doofpot’ en de verschillende connotaties van ‘geheim’.
Achter het relatief triviale gegeven dat het seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters zich afspeelt in een ‘doofpot-cultuur’ ligt een heel ander soort ‘verborgen kamer’ waarover wij op een heel andere manier niets weten. De ‘pontifex’ claimt dat hij weet heeft van iets dat niemand anders kent, namelijk dat wat aan gene zijde ligt van de brug die hij bouwt en beheert. De bouwer en beheerder van die brug heeft toegang tot kennis over God, over ‘het heilige’, over het ‘arcanum’, hemel en hel en andere visies op wat ‘hierna’ komt. Gelovigen accepteren die claim en geven daardoor de priester gezag, invloed en macht over hun leven.
Relevant in dit verband is het begrip van het numineuze. Het kwam al even ter sprake, blz. 12-13, 27. Het wordt omschreven als een ervaring in het zogeheten ‘creatuurgevoel’ [een filosofische naam voor iets dat ook het 'primordiaal levensgevoel' wordt genoemd] en wordt gekenmerkt door een innerlijke gewaarwording van een mix van het beangstigende (tremendum), het overmachtige (majestas), het verhevene (augustum), het tegelijk aantrekkende (fascinans) als afstotende, beangstigende.
Het specifieke van het numineuze ligt erin dat het het gevoel voor het religieuze en het besef van het heilige, waarvan op een of andere manier iets in ieder mens leeft, losmaakt van noties over zonde, schuld, plicht tot gehoorzaamheid, straf en aanverwante categorieën in de sfeer van het morele waarmee het in de gangbare traditie van religie en godsdienst altijd wèl verbonden wordt. En dat past weer in de traditie van los-koppeling van moraliteit inzake mogelijkheid c.q. onmogelijkheid tot kennis van het transcendente die vanaf de Verlichting door Europa gaat. Dat is het goede nieuws.
Het minder goede nieuws, althans een kenmerk van het numineuze dat iemand kan gebruiken om minder goede doeleinden te verwerkelijken, is dat het numineuze een vacuüm stipuleert tussen enerzijds dit oergevoel inzake het heilige en God dat aan ieder mens op een of andere manier eigen is, en anderzijds het morele. Dat bood en biedt nog steeds de kerk de mogelijkheid om dit vacuüm tussen dit oer-gevoel en het morele handelen op eigen gezag in te vullen en te beheren – en die mogelijkheid gebruikt de kerk, en ze maakt er de essentie van de katholieke geloofsleer van. ‘Wij, de gewijden oftewel in hogere kennis ingewijde pontifices, weten wat moreel goed is en wat goed voor jou is. Als je doet wat wij je voorhouden, maak je kans op de hemel na je dood’.
Universaliënstrijd
De loskoppeling van moraliteit van het numineuze, de vrije omgang met de vraag of wij wel of niet iets kunnen weten van het transcendente, past in de geest van de tijd die vanaf de Verlichting door Europa gaat. Vragen over een eventueel hiernamaals zijn louter privé-zaak. Agnosticisme is de officiële grondhouding inzake omgang met de hierna-vraag. Dat heeft het onschatbare voordeel dat mensen vrij gelaten worden.
Inzake de kerk en haar omgang met de gelovigen ligt het iets gecompliceerder. Het vacuüm tussen het numineuze en het morele bood de kerk de mogelijkheid om dat vacuüm zelf in te vullen en die mogelijkheid heeft ze met beide handen aangegrepen. Het numineuze heeft ze ingepakt in verhalen over hemel en hel en lichamelijkheid, en het morele heeft ze vertaald in voorschriften voor de gelovigen die haar de macht geven in wereldse zaken zo op te treden als in haar eigen belang is. Eigenlijk praktiseert zij zodoende in haar omgang met de gelovigen een opportunistisch quasi-agnosticisme. ‘Je kunt niets weten over een hierna; je kunt er alleen in geloven, dus moet je leven in overeenstemming met dit geloof, en als je maar gehoorzaam leeft zo als de kerk voorschrijft, mag je hopen na je dood in de hemel voort te leven.’
De geschiedenis van de filosofie van de afgelopen zes eeuwen geeft antwoord op de vraag hoe het kan dat zoveel mensen zich zo totaal op sleeptouw hebben laten nemen en nog steeds laten nemen door de kerk. Een van de oudste problemen van de filosofie is de vraag naar de relatie tussen de kennis en begrip van de mens en datgene wat hij weet en begrijpt. Twee antwoorden strijden om de gunst ‘het’ goede antwoord te zijn.
Het ene leert dat die relatie reëel is. Wat wij weten, geeft inzicht in de werkelijkheid zoals die echt is. Dat antwoord staat bekend als het realisme.
Het andere antwoord staat daar recht tegenover. Onze kennis en begrip zijn alleen door ons zelf verzonnen constructies, willekeurige namen die wij geven aan wat wij waarnemen en bedenken. Dat antwoord heet ‘nominalisme’.
In de Middeleeuwen woedde een heftige geestesstrijd over deze vraag en de twee mogelijke antwoorden erop. Inzet van de strijd was de wijze waarop wij komen tot onze algemene begrippen (‘universalia’, vandaar de naam ‘universaliënstrijd’).
Met het begin van de moderne tijd, omstreeks 1600, eindigde die strijd met een overwinning van het nominalisme. Voor de goede verstaander van poëtische weergave van filosofische inzichten documenteert de beroemde verzuchting van Juliet Capulet dit: ‘Tis but thy name that is my enemy; … What’s in a name?’
Sindsdien wordt van ouder op zoon en dochter, en van leermeester op leerling doorgegeven dat onze kennis net zo wisselvallig is als de ‘namen’ die wij geven aan onze begrippen, dat ons begrip van de werkelijkheid even weinig duurzaam is als de woorden die we gebruiken om haar te benoemen. Dit nominalisme is een historisch gegroeide eenzijdigheid die de Europese cultuur in al haar geledingen in hoge mate bepaald heeft. Ze had het onschatbare voordeel dat de vrijheid het normatieve sleutel-idee van de moderne westerse cultuur worden.
Maar langzamerhand blijkt het monopolie van het nominalisme ook een nadeel te hebben. De notie van de willekeurigheid van de menselijke kennis en begrip beheerst nu ongeveer vier eeuwen het toneel, Alles kan, niets is meer echt werkelijk. Naar de normen en regels van de algemeen gedeelde cultuur mag alles, heeft niets meer inherent morele consequenties in de zin dat je het ooit in je eigen geweten zult voelen.
Dit tot zijn laatste consequentie doorgevoerde nominalisme staat haaks op de leer van de kerk. Maar priesters zijn ook maar mensen. Ook zij leven ingebed in de ubiquitaire, overal doorheen zinderende en allesbeheersende nominalistische denkstijl die voor elke moderne mens evenzo vanzelf spreekt als water voor een vis. In deze denkstijl is het haast bovenmenselijk moeilijk om je vierentwintig uur per etmaal ervan bewust te zijn dat lichaam, ziel en geest één zijn, dat de afstand tussen lichaam en geest kleiner is dan enige andere afstand in de wereld, dat je tot op zekere hoogte je lijf bent.
Wat dit betreft is ieder mens een ‘pontifex’ in het klein: een levend wezen dat bij elke ademtocht in zijn persoonlijke binnenwereld een brug bouwt tussen zijn lichaam en de geest en over die brug heen en weer gaat. Dat is voor ieder mens al een hels moeilijke levenstaak; wie daarbovenop ook nog het celibaat wil praktiseren, vráágt om moeilijk-heden en moet dus eigenlijk niet verbaasd zijn als hij die krijgt.
Maar het numineuze in verband met het probleem van de kerk is niet alléén een zaak van van postmortale beloning in de hemel en straf in de hel. Aan het numineuze zit ook een wereldlijke, essentieel lichamelijk-lijfelijke kant. Een bijzondere plaats waar dit numineuze beleefd wordt is de seksualiteit.
2. 4. Lichamelijkheid, seksualiteit en vooruitgang
in de filosofie, de wetenschap en de esoterie
‘Edele heren, behaagt het u een mooi verhaal over liefde en dood te horen? Zo begint ‘Le Roman de Tristan et Yseut’ in de bewerking van Joseph Bédier: ‘Seigneurs, vous plaît-il d’entendre un beau conte d’amour et de mort?’
Wij begrijpen wat hij bedoelt. Sinds Eva en Adam is de tweeheid van de mens (m/v) onverbrekelijk verbonden met leven en dood en met de kennis over de schepping en met bijbehorende god-gelijkheid. Als afgeleide daarvan is de relatie tussen liefde en dood, tussen enerzijds de man-vrouw-verhouding, erotiek en seksualiteit, en anderzijds het onvermijdelijke einde van de lichamelijkheid en de onzekerheid over wat misschien daarna komt, een determinant van de Europese kunst en cultuur. Alsof het een bizarre nabrander is van deze nu afstervende Europese cultuur krijg ik, en krijgen ontelbaar veel andere internet-gebruikers (m/v, maar in dit verband veel meer ‘m’ dan ‘v’), ongevraagd aan de lopende band de meest fantastische seks-verhalen en -uitnodigingen met daar tussendoor ook ongevraagd verleidelijk bedoelde herinneringen aan mijn sterfelijkheid: ‘Koop NU goedkoop Viagra voor penis-vergroting’ ↔ ‘Geachte heer Verbrugh, Onderzoek wijst uit dat een groot deel van Nederlandse bevolking geen uitvaart-verzekering heeft’. Dat is een curieus oorspronkelijke nieuwe betekenis van de uit-drukking ‘ongewenste intimiteiten’, toch? Zo gaan we tegenwoordig met elkaar om.
‘La petite mort’
Om te vertellen over de samenhang van seks met je zelf, je lichamelijkheid, je relaties met anderen en met leven en dood, schieten alle woorden van de wereld tekort. De Franse uitdrukking ‘la petite mort’ voor het orgasme vat de intieme samenhang tussen liefde en dood poëtisch-trefzeker samen. Met name seksualiteit heeft uitdrukkelijk een numineus karakter.
In het begrip van het numineuze manifesteert zich het tweesnijdend zwaard van de Verlichting. Het primordiale gevoel over iets Hogers dat in ieder mens leeft, straalt uit tot in de fysieke beleving van ‘ik ben’. In de seks manifesteert het zich op een unieke manier. Iedereen voelt dat dat zo werkt. Niemand kan in woorden precies en volledig uitleggen hoe dat werkt. Seks is misschien de allerindividueelste ervaring van de mens. Ik zeg uitdrukkelijk ‘misschien’ want volgens de overlevering is doodgaan de aller-allerindividueelste ervaring maar dat heb ik alleen van horen-zeggen.
Driedubbel geheim
De ervaring van de seks is in drie-dubbele zin geheim. Ten eerste liggen ‘woord’ en ‘daad’ hier gewoon feitelijk op een moeilijk hanteerbaar intieme wijze dicht bij elkaar. Dat is een bijzonderheid in ieders individuele persoonlijke binnenwereld. Je mag en wilt er vanwege de ‘privacy’ in moreel-ethische zin en de sociale conventies alleen in beperkte mate over communiceren met anderen. Dat is een bijzonderheid in het relatief kleinschalig sociale verkeer. Ten tweede kun je er ‘kentheoretisch-technisch’ alleen over spreken voor zover de woorden van de taal die je met alle anderen deelt dat mogelijk maken, en dat is altijd slechts bij benadering. Dat is een bijzonderheid op mega-sociale schaal. Ten derde is er het totaal andere, unieke verhaal over jou zelf en die ene andere mens met wie je alles wilt delen, met wie je één wilt en van de kerk [onder haar voor-waarden en supervisie] ook mag, en fysiek-lijfelijk tot op zekere hoogte één kunt worden. In de klassieke beeldentaal van de mythen wordt dit verhaal samengevat in de uitdrukking ‘chymische Hochzeit’ – de ‘chemische bruiloft’. Het eigentijdse gebruik van het woord ‘chemie’ om te karakteriseren dat zich tussen twee mensen, meestal m/v en vaak acteurs, een bijzondere, tot in de kleinste vezel van de lichamelijkheid voelbare wederzijdse empathie leeft, is een mooie remake van deze klassieke uitdrukking.
Voor zover ik als totale buitenstaander en oprechte amateur-burgerjournalist iets weet van de rooms-katholieke geloofsleer, ligt hierin ook het USP, het Unique Selling Point van de katholieke huwelijksmoraal. Ik noteer dit als een credit point in de afrekening met de kerk die dit essay voor mij ook enigszins is.
Lichamelijkheid
De mens heeft een lichaam; dat is een relatief ‘objectief’ gegeven. Anderen kunnen dat van buiten af onderzoeken en er vrijelijk over communiceren. De mens is tot op zekere hoogte zijn / haar lijf [ik gebruik nu met opzet de ietwat in onbruik rakende formulering 'zijn / haar' omdat vrouwen, voor zover ik daar iets van begrijp, essentieel anders met hun lijf en lichaam omgaan dan mannen]; dat is een zuiver subjectief gegeven. Anderen kunnen daar niets mee. Alleen de persoon die tot op zekere hoogte subjectief dat lijf is, kan meer of minder communiceren over wat zij / hij van binnen uit beleeft. Het begrip ‘lichamelijkheid’ wordt gebruikt om ons eraan te herinneren dat lijf en lichaam tijdens het leven onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Communicatie over intieme zaken als lichaam en lijf is via het gesproken woord al moeilijk genoeg; geschreven taal, in drukwerk verspreide teksten en andere vormen van communicatie over seks anders dan in ‘live’ gesprekken is helemaal een ander verhaal. Inzake interviews en andere communicatievormen op de televisie en in cyberspace … – ‘the sky is the limit’. De leefwereld van de mens in de 21e eeuw is absoluut grenzeloos.
1 + 1 = 3
De verwijzing naar de hemel in de beeldspraak ‘the sky is the limit’ is in verband met het onderwerp van dit essay geheim-veelzeggend to the point. Lichamelijk – lijfelijk is de mens slechts een half-mens. Zonder wederhelft is hij / zij niet volledig. Zij / hij streeft daarom naar wedervereniging met hem / haar. De beleving van deze wedervereniging roept van oudsher associaties op aan ‘de hemel’. Dat woord moet hier tussen aanhalings-tekens, omdat het bedoeld is als een zeer algemene metaforische aanduiding voor de niet aards-lichamelijke ‘dimensie’ van de mens, de plaats of toestand waar(in) de mens volgens hen die daarin geloven na zijn dood komt (als hij dat verdiend heeft).
Maar metaforisch of reëel: de seksuele eenwording roept van oudsher associaties op aan ‘hemelse geneugten’.
Dat klinkt als een poging tot poëzie, maar ik bedoel het essentieel concreet. Twee volwassen mensen (m/v) die lichamelijk-lijfelijk even samen ‘één vlees’ zijn, kunnen dat samenzijn beleven alsof ze even samen in de hemel zijn, en het verhaal over die beleving is, als het goed verteld wordt, niet triviaal en geen (pseudo)poëzie. Die beleving kan concrete werkelijkheid worden in de zin dat die twee niet verbaasd hoeven te zijn wanneer ze bij ‘terugkomst op aarde’ met hun drieën zijn.
Ik bedoel dit niet als grap – integendeel. Juist de leer van de kerk koppelt de seksuele relatie tussen man en vrouw uitdrukkelijk aan het gegeven dat in die relatie nieuwe mensen kunnen ontstaan. De onwrikbare zelfverzekerdheid waarmee de kerk haar leer over anticonceptie blijft uitdragen, het verschil dat zij maakt in haar oordeel over verschillende vormen van verhindering dat zwangerschap optreedt, de verkettering van de homosexualiteit en andere bijzonderheden inzake seks waarmee de kerk geregeld de media haalt, doen ernstig vermoeden dat de exegeten van de geloofsleer die de kerk aan haar gelovigen voorhoudt inderdaad met heilige ernst geloven dat ze werkelijk toegang hebben tot kennis over wat aan gene zijde gebeurt inzake de incarnatie van een nieuw mensenkind via de versmelting van twee reeds langer aanwezige mensen. Maar tegelijk weet ik vrijwel zeker dat zij, althans de overgrote meerderheid van deze hoeders van de ware geloofsleer, hun kennis en begrip niet in de termen beleven waarin ik nu hier mijn visie op het hiervoormaals van nieuwe mensenkinderen onder woorden breng, en als een enkele vermetele pontifex ooit zijn gedachten in deze richting zou laten gaan, hij die never nooit in de publiciteit zal durven te brengen.
‘Ik ben ik’
Huwelijk en seks en de speciale voorschriften dienaangaande van de kerk is niet de enige plaats waar het numineuze manifest is in het leven hier en nu. In alle culturen van alle tijden is onderkend dat het kind als zodanig vermogens heeft tot perceptie van het numineuze die met de volwassenwording sleets worden. Een actueel voorbeeld daarvan is de ‘ontdekking’ die ieder kind ergens in zijn vroege kinderjaren doet dat het ‘ik’ kan zeggen. Dolph Kohnstamm zegt het in de titel van zijn boek hierover: ‘Ik ben ik’.
Die drie woorden vatten trefzeker een onvervangbaar ‘numineus moment’ in ieder mensenleven samen. Maar ze geven alleen een aanduiding. In de leefwereld van het kind als geheel is het numineuze van zelf aanwezig en operationeel, en het kind is zich daar op zijn kinderlijke manier bewust van. Hierin ligt de zin van de lang gerekte kindertijd van de mens, die louter fysiek-biologisch bezien geen zin zou hebben.
De spontaan gegeven numineuze sfeer van de kinderlijke leefwereld is een oer-determinant van het mens-zijn. Ieder nieuw op aarde komend mensenkind neemt dit numineuze mee uit het hiertussenmaals waar het kortere of langere tijd in verbleef voordat het opnieuw incarneerde in een lichamelijkheid. [Ik formuleer het nu in de terminologie van de op blz. 39 genoemde reïncarnatie. In de leer van kerk zou het iets zijn als 'Ieder kind krijgt dit numineuze mee van God op het moment dat geschapen wordt'. Het verschil tussen deze opvatting en mijn formulering doet in verband met het specifieke onderwerp van dit essay nu even niet ter zake]. Levenskunst is de kunst om in de loop van het leven dit originele bewustzijn van het numineuze dat van nature in het kind leeft, terug te vinden en zich in de volwassen leefwereld eigen te maken.
Paradox
Het numineuze karakter van de kinderlijke leefwereld is aan velen bekend, onder meer in de antroposofie. Tegelijk is het in brede kring helemaal niet bekend. Daarmee is het leidmotief van dit essay terug. Wat betekent precies ‘bekend’ en ‘niet bekend’?
De notie van het numineuze karakter van de kinderlijke leefwereld is allerminst nieuw. Zoals ik het hier zeg, is het alleen mijn eigen formulering van de tekst van Matth. 18:3 die ik op blz. 29 al even noemde. Maar wie durft te zeggen dat hij echt weet wat hier staat? Echt weten is het vermogen om de werkelijkheid zo op te vatten als ze is – maar deze omschrijving van ‘weten’ is helemaal volgens het nieuwe filosofische realisme zoals samengevat op blz. 42. In de vrijblijvende denkstijl van het nog overal heersende nominalisme kan ik niet eens weten wat echt weten is. In die denkstijl kan iedereen met de uitspraak ‘ik weet …’ of ‘ik weet niet …’ bedoelen wat hem op dat moment uitkomt. Kardinaal Simonis illustreerde dat gruwelijk-trefzeker in zijn publieke optreden dat ik op blz. 38 – 30 memoreerde. Echt iets weten, iets weten en met dit weten iets willen en daadwerkelijk doen kan alleen in het nieuwe filosofische realisme.
Broeder Ezel
Aanzetten voor dit nieuwe filosofische realisme gaan nu door de wereld – in de filosofie, de wetenschap, in de antroposofie en in andere richtingen in de serieuze esoterie.
Eén van de plaatsen waar het zich manifesteert is de lichamelijkheid. Het oude dualisme van lichaam en geest als de twee tegenstrijdige onderdelen van de mens is niet meer van deze tijd. Askese, flagellatie en andere vormen van zelfkastijding vindt men nu nog alleen in de meer exotische regionen van de kerk. Men herleze wat Godfried Bomans een halve eeuw geleden mild-ironisch schreef over de vasten: ‘De bedoeling van het vasten was het “zich versterven”, waarbij de “ongeregelde begeerten” van het lichaam werden “beteugeld”. Het lichaam immers was de vijand van de ziel, dat stond wel vast.’ Dat is begin 21e eeuw toch wel een erg belegen verhaal. Nu wordt ook in de lichamelijkheid het positief te waarderen aspect van het numineuze onderkend. De bejegening van het lichaam volgens Sint Franciscus, die dat ‘Broeder Ezel’ noemde en afbeulde tot het bijna niet meer leefde, wordt nu als disfunctioneel gezien.
Maar de aanduiding Broeder Ezel is wel zinvol. In het klassieke beeld is een ezel trouw, geduldig, omhuld door een soort aura van wijsheid – maar die mooie eigenschappen gaan verloren als hij niet goed verzorgd wordt. Evenzo is het lichaam als levend, bezield en door de geest geïnspireerd systeem de toegangspoort bij uitstek tot inzicht over wat aan de andere kant van de brug ligt – maar alleen bij de volwassene. De mens heeft de eerste 14 à 21 jaar van zijn leven nodig om zijn lichaam zó te leren kennen dat hij zich bewust kan worden van die positief te waarderen numineuze kwaliteit. Op grond van nieuwe inzichten uit de ontwikkelingspsychologie weten wij nu dat inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van een kind veel schadelijker is dan men onnadenkend vroeger aannam. Daarmee komt het leidmotief van dit essay weer in de tekst. Wie precies zijn de ‘wij’ op wie ik doel als ik in dit verband stel dat ‘wij’ dit ‘weten’? En wat is dit ‘weten;’ waard zolang ‘weten’ nog helemaal wordt opgevat in de vrijblijvende nominalistische denkstijl? De specifiek religieus geïnspireerde realistisch-positieve waardering voor het kind volgens Mattheus 18:3 is in de kerk, voor zover ik daar als buitenstaander iets van weet, allerminst gemeengoed, en de traditie helpt ook niet erg de goede kant op. Met name Augustinus heeft in zijn Confessiones geen goed woord over voor het kind in het algemeen en zijn eigen kinderjaren in het bijzonder.
Maar ook deze overwegingen geven nog geen afdoende antwoord op de vraag hoe het mogelijk was dat zulk misbruik zó lang kon plaatsvinden. Hier speelt een veel groter probleem dan tot nu toe onderkend is. Onwetendheid daarover zal blijven bestaan zolang de vragen over wat wij wel en niet weten inzake dit misbruik en de aanzetten tot een antwoord die ik in dit essay uitprobeer niet worden meegenomen in het debat.
2. 5. In het centrum van de doolhof:
het eschatologisch tekort van de kerk in deze tijd
‘Eschatologisch’ betekent ‘betrekking hebbende op het “eschaton”, en ‘eschaton’ betekent letterlijk ‘het laatste’. In de theologie is ‘eschaton’ het sluitstuk van de christelijke dogmatiek over dood → opstanding → laatste oordeel → het allerlaatste, het einde van de schepping. In een iets mildere variant begint het ‘eschaton’ gewoon – nou ja, ‘gewoon’… – echt gewoon is het natuurlijk niet – met ‘gene zijde’, met wat hierna komt.
Het begrip ‘eschatologisch tekort’ in de titel van dit hoofdstuk is een verwijzing naar de Nederlandse vertaling van de titel van het boek ‘La condition humaine’ van André Malraux (1933). Die titel is, min of meer letterlijk vertaald: de “status” van de mens, de toestand waarin de mens geschapen is, zich ontwikkeld heeft en nog steeds ontwikkelt en nu verkeert. Du Perron vertaalde deze titel als ‘Het menselijk tekort’ (1934), en dat ‘tekort’ was subliem trefzeker gekozen. De ‘conditie’ van de mens is die van ‘tekort’, leert de wijsgerige antropologie. Hij is het wezen in de schepping dat als enige ‘animal’ (= levend wezen) niet van nature optimaal is afgestemd op de omgeving waarin hij leeft, moet alles uit vrije wil zelf uitvinden en ontdekken en leren toepassen.
Antropologisch tekort
Dit antropologische tekort brengt de kern van het probleem van de kerk aan het licht. De pontifices zijn mensen, als zodanig behept met het menselijk tekort, en de leidende clerici, inclusief de pontifex maximus, verkeren zo sterk in deze status van ‘tekort’, dat zij geen voeling meer hebben met de numineuze hogere macht die dit tekort in hun werk en denken moet aanvullen. Plat samengevat: de bisschoppen zijn letterlijk van God los.
In het centrum van de doolhof aangekomen ontdekken wij dat de kerk geen aandacht meer heeft voor het ‘eschaton’. De core business van de kerk, zie blz. 31 en 37, de daadwerkelijke overtuigende beleving en verkondiging van een authentiek geloof in het hierna, is gewoon weg, verdwenen. Daardoor is een leegte ontstaan. Weten kunnen wij volgens gangbare opvattingen over dit ‘eschaton’ niets. En daarmee zijn we terug bij het begin, want die opvatting heeft alles te maken met de vraag van dit essay: wat weten wij wel en niet inzake seksueel misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters?
Dat is, zoals intussen in deze tekst is gebleken, een ingewikkelde vraag. In die vraag gewikkeld zitten allerlei andere vragen die, voordat we aan de kernvraag kunnen beginnen, éérst gesteld en voor zover mogelijk beantwoord moeten worden.
Agnosticisme
Om te beginnen nog een keer: wat is weten? En nu ook: hoe weten we?
Het gangbare antwoord heeft deze strekking: ‘weten doen we met ons brein dat ons een representatie geeft van de werkelijkheid; ons brein is een product van de evolutie, die evolutie heeft zich op aarde afgespeeld en dus kunnen we niets weten over wat zich buiten de aarde voordoet. Op vragen naar een eventueel voortbestaan na de dood en het “eschaton” kunnen we dus niets weten’, aldus de theoretische onderbouwing van het agnosticisme, dat ik op blz. 37 / 38 en 41 even noemde.
Maar het agnosticisme is op z’n retour. Ruimere opvattingen dienen zich aan. Een meer inspirerende visie leeft in de op blz. 42 genoemde karakterisering ‘weten is het vermogen om de werkelijkheid zo op te vatten als ze is’. Dat is ook een ultrakorte samenvatting van wat de cognitieve neuropsychologie leert. Ik vul aan: ‘ … en het vermogen en de wil om verantwoording af te leggen over wat je met dit vermogen doet’.
Met die aanvulling ben ik zelf weer terug in het verhaal. Deze mededeling heeft in eerste instantie ‘nothing personal’. Het is al lang gemeengoed in de filosofie dat ‘objectieve kennis’ niet bestaat. Niet alleen over mij zelf kan ik nooit ´objectief´-neutraal iets weten, ik kan over helemaal niets ooit objectief iets weten, want al mijn kennis is mijn kennis en als zodanig gebonden aan het subject dat ik ben.
In elke menselijke situatie hebben begrip, weten en kennis drie onlosmakelijk met elkaar verbonden zogeheten ‘connotaties’: objectief, subjectief en intersubjectief.
In de eerstgenoemde connotatie staan weten, kennis en begrip helemaal los van de persoon. Weten, kennis en begrip hebben volgens deze connotatie betrekking op zaken die voor iedereen gelijkelijk zó en niet anders zijn, los van de persoon. Dat noemen we de objectieve connotatie. Omgekeerd zijn weten, kennis en begrip evenzo intiem verbonden met de persoon. Iedereen die pretendeert iets te weten en te begrijpen, moet kunnen zeggen ‘ik weet …, ik begrijp …’. Dat is de subjectieve connotatie. Ten slotte moeten weten, kennis en begrip mededeelbaar zijn: door meerdere mensen als waar en geldig onderkend worden. Dat is intersubjectief; de persoon is altijd verbonden met andere personen. De filosoof Jos Geurts vergelijkt deze drievoudige connotatie van onze kennis met de drie coördinaten van een punt in de ruimte: links-rechts, voor-achter, boven-beneden. Zodra wij ons een punt in de ruimte voorstellen, zien we het virtueel gelocaliseerd in deze drie dimensies. De ervaring leert dat we ons dit niet anders kunnen voorstellen dan zó. Evenzo gaan onze kennis en ons begrip q.q. over de werkelijkheid buiten ons, over mij zelf als kennend subject en over de ander met wie ik communiceer.
De handelende mens
Maar dat is alleen nog filosofie. Ik wil terug in het verhaal als handelend persoon. Met die wens bevind ik mij in goed gezelschap. ‘The Acting Person’ is de titel van het boek van Karol Wojtyɬa, beter bekend als paus Paulus Johannes II. Het is bedoeld als ‘A Contribution to Phenomenological Anthropology’. Het gaat over ‘de opdracht aan de mens om onophoudelijk te streven naar de onthulling van zijn eigen mysterie’.
Ik heb het boek kort nadat het verschenen was (door)gelezen. Het maakte toen niet een bijzondere indruk op me, en dat deed het dezer dagen, toen ik het in verband met dit essay hernam, ook weer niet. Het leidmotief is, als ik het goed begrepen heb, niet anders dan dat van de antroposofie en de eigentijdse cognitieve wetenschap: alles draait om de mens. Het is best een doorwrocht betoog, maar dat bedoel ik niet als compliment. Ik proef in de tekst niets van het charisma en de bevlogenheid die ik en miljoenen anderen via de media wel konden proeven in het persoonlijke optreden van Karol Wojtyɬa, toen hij bisschop van Rome was, en die ik soms wel ervaar in andere teksten, ook engelstalige. En met of zonder charisma of bevlogenheid – ik vind bij Wojtyɬa met name niets dat mij nu verder helpt met het probleem van de kerk.
Als handelend persoon kom je overal en altijd de ander tegen. In dit essay zijn de anderen in de eerste plaats de pontifices. Ik probeer te begrijpen hoe het heeft kunnen komen dat de pontifices die daders werden dat konden worden en, vooral, hoe het heeft kunnen komen dat de gezagdragers, die wisten van deze daden en ze hadden kunnen stoppen en voorkómen, verzuimd hebben dat te doen. Ik probeer me in te leven in hoe de relaties waren tussen priesters en de gelovigen die hun ziel en zaligheid aan hen toevertrouwden, de mensen die heilig geloofden dat ze, door geloof te schenken aan wat de ‘beheerder van de brug tussen het hier/nu en gene zijde’ hun voorhield dat ze zodoende meer kans maakten na hun dood ‘in de hemel’ te komen, wat dit laatste dan ook moge betekenen, maar die hen even zo bedreigde met hel en verdoemenis als ze zich niet gedroegen zoals de priester hen voorhield. Ik probeer te begrijpen wat in elk geval tot voor enkele jaren omging (en in veel niet-Europese landen wellicht nog steeds omgaat) in het gemoed van talloze gelovigen die gehoorzaamden uit angst om de band met de kerk te verliezen en te worden ‘geëxcommuniceerd’ en daardoor uitgeleverd werden aan de angst voor, om het neutraal te zeggen, onvoorstelbaar onaangename belevenissen in het bestaan na de dood. Ik probeer me voor te stellen wat er gebeurde in de persoonlijke binnenwereld van de daders en in de kinderen die zij misbruikt en mishandeld hebben. Vooral dat laatste is speciaal. Kinderen leven nog in een magisch-mythisch bewustzijn waarin ze direct tot in hun lichamelijkheid rechtstreeks iets van het numineuze beleven, zoals ik op blz. 46/47 samenvatte. Nergens is die samenhang van het numineuze in lichaam en geest zó intens als in de seksualiteit, die nu juist bij het kind nog niet functioneert. Omgekeerd vormen juist bij kinderen geloven en weten en ontzag voor de personen die hen verzorgen en hun iets leren over wat ze mogen of moeten weten of geloven een uniek-intieme numineuze samenhang. Een béétje priester wéét dat toch allemaal? Waarom handelden zo vele daar niet naar en wat maakte dat de kerke-lijke gezagsdragers niet beseften wat hier gaande was? Ik probeer dat alles omdat ik meen iets te weten over het seksuele misbruik van kinderen door rooms-katholieke priesters dat nog niet bekend is en dat het verdient om wel algemeen bekend te worden. Wat ik meen te weten schrijf ik op in dit essay, het resultaat leg ik informeel voor aan enkele personen en organisaties die wellicht interesse hebben en wellicht wordt het via hen ook bij anderen bekend, en dan – wait and see.
Moreel tekort
Het voorlopig resultaat van mijn proberen vat ik samen in een nieuw begrip: ‘het escha-tologisch tekort’. De kerk schiet te kort in haar verantwoordelijkheid inzake de leer over het voortbestaan na de dood, in de hemel of de hel of waar en hoe dan ook, en wat verder deel uitmaakt van het ‘eschaton’.
Eind november 2010 oordeelde kerkhistoricus Peter Nissen van de Radboud Universiteit Nijmegen dat de toenmalige bisschop van Rotterdam, Adrianus van Luyn, die als Salesiaan indirect bij het misbruik betrokken was waarover ik op blz. 30/31 onder nummer (2) schreef, zijn ontslag moest aanbieden aan de paus omdat hij moreel tekortgeschoten was als herder van de geloofsgemeenschap. ‘“Van Luyn werd altijd beschouwd als een sociaal bewogen bisschop en tot voor kort wekte hij de indruk dat het allemaal nieuw voor hem was. Nu blijkt dat hij ook hiervan geweten heeft, heeft hij zijn geloofwaardigheid als kerkelijk bestuurder verloren,” zei Nissen.’
Dat lijkt mij een verantwoord oordeel. Noteer het voorbehoud ‘lijkt’. Ik oordeel niet over morele kwaliteiten van anderen; in ben geen ethicus maar filosoof: zie blz. 15.
Maar de filosofie gaat tegenwoordig ook weer over metafysica, over het trans-cendente en daarover heb ik wel iets te melden. Het moreel tekort van de toenmalige bisschop van Rotterdam is één ding; er speelt een veel belangrijker tekort. De echtgenote van de als kind misbruikte man over wie ik op blz. 30/ 31 onder nummer (1) schreef, is nu aan gene zijde. Ik formuleer het zo neutraal mogelijk. In het idioom dat mij meer vertrouwd is zou ik schrijven ‘de echtgenote … werkt intussen in het hier-tussenmaals aan haar levenspanorama’; zie blz. 39; maar het verschil doet er nu even niet toe. In beide formuleringen is sprake van enige vorm van voortbestaan, en dat houdt in dat zij op een of andere manier nog gevolgen kan ondervinden van het pas na haar dood bekend geworden misbruik dat haar man in zijn kinderjaren ondergaan had.
Bewustzijn van dat gegeven is de kern van de boodschap die de kerk zou moeten brengen, maar al vele jaren steeds minder brengt. Ik ben professioneel totaal onbevoegd in de theologie, maar als filosoof meen ik dat mensen naar de kerk gaan omdat ze, om redenen die binnen hun denksysteem onversneden rationeel zijn, tijdens hun aarde-leven hier en nu al willen werken aan hun eeuwig zieleheil. Misbruik van kinderen door priesters is iets essentieel anders dan alleen een manifestatie van een moreel tekort. Daarom oordeelt Nissen, waar hij stelt dat bisschop Van Luyn, omdat hij moreel is tekortgeschoten, zijn ontslag moet aanbieden aan de paus, in drie opzichten te licht.
Ten eerste is er vooral sprake van eschatologisch tekortschieten en eschatologie is de core business van de kerk. Het eschatologisch tekort is, om het zo te zeggen, de overtreffende trap van het ‘moreel tekort’.
Ten tweede geldt het niet alleen voor de bisschop van Rotterdam. Elke priester wordt geacht zodanig inzicht te hebben in wat hierna gebeurt dat hij daadwerkelijk zijn leven en werk op dat inzicht baseert.
En vooral blijkt uit dit tekortschieten dat de kerk als zodanig ‘een hypocriete instelling’ is. Noteer de aanhalingstekens. Nissen zelf is ‘eerder dat jaar (2010) uit de Katholieke kerk getreden wegens de aaneenschakeling van schandalen van de afgelopen tijd. Hij zag zich bevestigd in zijn idee dat de Katholieke kerk “een hypocriete instelling” is,’ citeer ik uit een artikel in de NRC Handelsblad.
De vraag komt op ‘Geloven de “pontifices” zelf eigenlijk nog wel in de leer die ze met zoveel kracht en macht uitdragen?’ en het enige antwoord dat ik kan bedenken is ‘nee’. Zij die verantwoordelijk zijn voor de kerk bewijzen door hun gedrag dat hun leer leeg geworden is.
Wedergoedmaking
Het woord in dit tussenkopje is een germanisme. Het verdient het om in het Nederlands gangbaar te worden. Weergoedmaken – hoe doe je dat?
Als een soort ‘running gag’ loopt door de reacties van officiële zijde van kerkelijk zijde het ‘vergeven’, met of zonder de toevoeging ‘bidden om … ‘. Het inter-view met kardinaal Danneels dat de Vlaamse televisie op 7 december 2010 uitzond, was ervan vergeven (!).
‘Vergeven’ – dat is gemakkelijk gezegd. Pleidooien en aanbevelingen hiertoe zijn in dit geval gratuit. Je kunt iemand alleen iets te vergeven als je weet wat die ander gedaan heeft en wat je hem dus zou kunnen of moeten vergeven. En dit hele essay is nu juist vergeven van de conclusies met bijbehorende overwegingen en onderbouwingen dat we niets weten en begrijpen van wat de pontifices gedaan en verzuimd hebben.
Wat in de daders is omgegaan, hoe die tot zijn daden hebben kunnen komen, hoe ze nu met hun geweten omgaan, in hoeverre die nu weten en begrijpen en bereid en in staat zijn aan ons mee te delen wat hen vergeven zou moeten worden, weet, voor zover wij weten, niemand.
De cursivering van de vier woorden in de vorige zin verwijst naar de dubbele dubbele bodem in dit essay. De afzonderlijke misbruikgevallen zijn een zaak op zich zelf. Voor zover ik zelf mij aangesproken zou voelen als een van de ‘wij’ die zouden moeten ‘vergeven’, voel ik daar niets van of voor; ik heb daar niets mee te maken. Het gaat mij alleen om de zaak als geheel. Daarin heeft de kerk als organisatie op een zó ondoorzichtige manier gehandeld en niet gehandeld, en stelt zij zich ook nu nog steeds zó op, dat zelfs de gedachte aan vergiffenis een loze kreet is. Deze organisatie is zo gesloten, wat stukjes bij beetjes naar buiten komt is een zó troebele mix van beweringen die wellicht waar zijn maar die even goed later soms weer herroepen worden, dat we domweg niet aan de weet komen wat we hen zouden kunnen vergeven.
De opmerking van mgr. Léonard die ik op blz 9 aanhaalde, het seksueel misbruik is een probleem van de samenleving als geheel, heeft daarmee een, door de aartsbisschop zelf vrijwel zeker niet zo bedoelde, bevestiging gekregen. In elk geval is met de conclusie uit de vorige alinea het probleem van de kerk ook mijn probleem met de kerk geworden.
Geneesmiddel
In de loop van 1959 merkten artsen in Duitsland dat er meer kinderen dan vroeger werden geboren met ernstige afwijkingen aan armen en benen. Na jarenlang epidemiologisch onderzoek werd op 18 november 1961 bekend dat het kalmeringsmiddel Softenon, dat veel vrouwen tijdens de zwangerschp hadden geslikt de oorzaak was. Dat kwam als een intense schok. Softenon was een geneesmiddel en dus onschadelijk. Die ogenschijnlijk rotsvaste zekerheid bleek een illusie. De geneeskunde is toen essentieel veranderd.
De geschiedenis van de Softenon kan als een parabel werken voor beter begrip van het probleem van de kerk. De rotsvaste zekerheid waarmee in en door de kerk geleerd wordt dat de priester, en zeker de pontifex maximus als opvolger van de ‘rots’ Petrus in de apostolische successie, de waarheid kent en altijd goed doet, staat ter discussie.
Pontificale zelfgenoegzaamheid
Over die rotsvaste zekerheid heeft Maud Kips een indringend blogbericht geschreven. Het staat in zijn geheel gecopieerd in de Aantekeningen, blz. 58 – 62: ‘ … een onthutsende ”…ervaring”: de bisschoppen …, hadden gelijk’. Deze specifieke vorm van pseudo-eschatologisch gelijk hebben benoem ik als ‘pontificale zelfgenoegzaamheid’.
‘Maak het politieke persoonlijk en het persoonlijke politiek’ noteerde ik op blz. 8.
In verband met het onderwerp van dit essay maak ik daar nu ter afsluiting van dit essay van: ‘maak je persoonlijke probleem met de kerk filosofisch en maak de filosofie tot iets dat ieder mens zich persoonlijk aantrekt’. Ik probeer een zinvolle mix te brouwen uit mijn persoonlijke frustratie dat hoegenaamd niemand kan of wil volgen wat ik over het eschatologisch tekort van de kerk debiteer, en het troostrijke inzicht uit de filosofie dat dit ook anderen overkomt en in de geschiedenis vaker is voorgekomen. Daartoe sluit ik af met een passage uit een boek over wat zich afspeelde in de tijd dat de Spanjaarden Midden-Amerika veroverden. In een Mexicaans document uit die tijd staat daarover:
‘Het dertiende hoofdstuk; daarin wordt verteld hoe Montecuhçoma, de Mexi-caanse koning, andere tovenaars stuurt, dat ze de Spanjaarden te beheksen moeten proberen, en wat hun onderweg overkwam. En het tweede cohort boden, de waarzeg-gers, de tovenaars, en de rookpriesters (‘Räucherpriester’) gingen ook op weg, hen tegemoet. Maar ze deugden niet meer, ze konden die anderen niet meer betoveren, ze konden hun doel bij hen niet meer bereiken, ze kwamen niet eens meer aan’.
‘Er bestaat nauwelijks een tekst waarin zó compact en met zó weinig, elkaar op indringende wijze herhalende woorden de ineenstorting van een hele wereld, van een totale tot dan toe geldige en werkzame menselijke grondhouding beschreven wordt,’ zo commentarieert de auteur van het boek. ‘De magisch-mythische houding van de Mexi-canen werkte bij de Spanjaarden niet meer, ze brak kapot op het moment dat ze op de rationeel-technische grondhouding stootte. Daarbij was niet, zoals de causaal- en materie-gelovige Europeaan tegenwoordig [de tekst stamt uit 1949] geneigd zal zijn aan te nemen – de materiële overmacht van de Spanjaarden beslissend, maar de zwakte van het Mexicaanse en de kracht van het Spaanse bewustzijn.’
AANTEKENINGEN
Blz. 3: ‘… zelfs de vermelding niet …’: de enige naam die mij in dit verband bekend is die van Thomas Doyle. ‘Seksueel misbruik van kinderen en minderjarigen door geestelijken die men vertrouwt, heeft een uniek trauma als gevolg. De ruime meerderheid van de slachtoffers zijn toegewijde leden van hun kerkgemeenschap, met een uitzonderlijk groot vertrouwen in de priester en in het religieuze systeem. De heftigheid en de vernietigende gevolgen van het trauma als gevolg van misbruik door priesters zijn rechtstreeks gerelateerd aan de emotionele band tussen slachtoffer en misbruiker. Die band vindt zijn oorsprong in omstandigheden die worden omschreven als “spiritueel”, maar die in werkelijkheid giftig zijn en leiden tot een traumatische relatie waarmee seksueel misbruik gepaard gaat.’ http://www.richardsipe.com/Doyle/DOYLE-IN-DUTCH.htm
Blz. 4: ‘De kerk claimt impliciet een moreel gezag …’: zo compact als het hier staat, is het voor discussie vatbaar; maar dit hele essay is een discussie-stuk, een essay, een poging.
Blz. 4: ‘Hier ligt, diep verborgen, iets van het gelijk …’: hier moet wel bij gezegd moet worden dat hij vooral een kind was van zijn tijd met alle daaraan inherente eenzijdigheden, beperkingen en achterhaalde misvattingen.
Blz. 7: ‘… sommige geheimen, bij voorbeeld over seks … ‘: het mooiste voorbeeld dat ik ken is Grimm’s ‘De kus van de kikkerkoning’. Lisette Thooft heeft dit in haar boekje ‘De Kikkerkus’ prachtig geanalyseerd.
Blz. 7: ‘… de hogere echelons van de clerus … ‘: het aantal priesters dat kinderen seksueel misbruikt heeft is onaanvaardbaar hoog maar relatief verwaarloosbaar klein. Overal ter wereld deden altijd en doen nog steeds talloze priesters gewetensvol goed werk. Dat verdiende eveneens in de publiciteit te te komen en het kwam onder meer tot uiting in de oprichting, maart 2010, van het sociale netwerk ‘Dragers van belofte’ van een aantal meer of minder bekende Nederlanders die juist veel goeds hadden ervaren in hun katholieke jeugdjaren binnen de kerk. Overigens is daarna weinig meer van hen vernomen.
Blz. 8: ‘… dat politiek niet alles is, …’: naar de titel van het boek van Harry Kuitert maar dat ook dat niet helemaal waar is, maar politiek is, historisch bezien, wel alles wat zich voordoet in de ‘polis’, de stad, de maatschappij, de plaats waar allen, ‘holoi’ samen leven.
Blz. 10: ‘Metabletica’: zie ‘De man achter de metabletica’, biografisch interview met Jan H. van den Berg, opgenomen in de bundel Biografie in de Geneeskunde Geneeskunde in de biografie 22 interviews, uitgave Stichting Kairos k*r Rotterdam, 2002, ISBN 90-76-494-05-3
Blz. 13: ‘… Godfried Bomans in zijn ‘Beminde Gelovigen’: de auteur is op een vreemde manier vergeten en hij leeft voort – vooral door zijn milde, begripsvolle, poëtisch-eidetisch subliem trefzekere en serieus-kritische herinneringen aan het zogenoemde Rijke Roomse Leven uit zijn jonge jaren. … .
Blz. 13: ‘De ontwikkelingen in de natuurwetenschappen … ‘: interview met Ian Morris, historicus, archeoloog en humanist aan Stanford University onder de titel ‘Geschiedenis zie ik als een zijtak van de biologie’, NRC Handelsbad 29 oktober 2011. Onderbouwing van deze stelling geven dichter Raoul Schrott en neurofysioloog Arthur Jacobs in hun boek ‘Gedicht und Gehirn – wie wir unsere Wirklichkeiten konstruieren’, 2011.
Blz. 18: ‘… de destijds geruchtmakende Eper-incestzaak van Yolanda van B. …’: dit is in de Nederlandse media de locus classicus inzake ‘false memory’. Niemand minder dan de destijds gerenommeerde Leidse hoogleraar Willem Wagenaar heeft zich in de jaren na dit schandaal uitgesproken voor eerherstel van de naar zijn mening ten onrechte beschuldigde vermeende daders.
Blz. 20: ‘… de herinnering van de als kind misbruikte persoon.’: Evenals vele anderen voel ik onbehagen in het woord ‘slachtoffer’. Zie voor een bespreking van het begrip ‘slachtoffer’ en zijn culturele en godsdienstige connotaties: J.J.M. Van Dijk, ‘Slachtoffers als zondebokken’, Apeldoorn-Antwerpen, 2008 ISBN 978-90-466-0146-4.
Blz. 23: ‘… de Volkskrant in augustus 2011 dit succesvolle medium liquideerde.’: als hoogst ongewenst neveneffect van deze liquidatie is een groot deel van de documentatie die ik inzake het probleem van de kerk had verzameld verloren gegaan. Met name kan ik nu allerlei data waarop berichten en commentaren in de krant verschenen nu niet meer terugvinden.
Blz. 23: ‘… het “gastblog” van Meesterzusje …’: omdat dit gastblog de essentie van het probleem van de kerk samenvat, heb ik het hier in zijn geheel overgenomen. De titel was ‘De door het kerkrecht afgedwongen zwijgplicht van misbruikte kinderen is het ultieme schandaal’, als tref-woorden waren ‘crimen sollicitationis, criminologie, omstulpingservaring, leugen, paasboodschap’ genoteerd.
Ik introduceerde haar in een korte inleiding aldus: ‘Strafrechtadvocaat Jan Boone heeft inmiddels aangifte gedaan tegen het aartsbisdom Utrecht. Hij vindt dat het misbruik gefaciliteerd is door de katholieke kerk. Het bisdom kan volgens hem vervolgd worden als criminele organisatie…’ citeerde ik in een reactie op ons blog van vorige week dinsdag de krant. Ik schreef daar iets bij als: ‘De rooms-katholieke kerk als “criminele organisatie” – die houden we erin.’ Deze kwalificatie krijgt steun door, zoals nu langzaam in de media naar voren komt, de professionele manier waarop door de gezagdragers van de organisatie waarbinnen de criminelen hun gang konden gaan een supersnelweg van beerput naar doofpot is aangelegd en nog steeds bereden wordt. Dat deze organisatie met uitdrukkelijke religieuze pretenties volhardt in het toedekken van deze smerige misdaden inspireerde Meesterzusje een paar dagen geleden tot een mail aan mij die mij weer inspireerde haar te vragen een volgende gastblog te schrijven over wat zij in die mail aanroerde. Zo geschiedde: de onderstaande tekst is van Meesterzusje’. De daarop volgende tekst van Maud was:
‘Ik heb eerder in dit blog geprobeerd te schrijven op de manier waarop ik als jurist omga met het thema van het seksueel kindermisbruik binnen de rooms-katholieke kerk (vooral in het ‘gastblog’ van 5 maart over de geheimhoudingsplicht).
Vandaag wil ik op een persoonlijkere wijze schrijven over drie aspecten die dit ‘schandaal’ tot veel meer dan schandaal maken. Het eerste aspect heeft te maken met het zelfbeeld van de katholieke kerk, het tweede met de verhouding tussen de kerk en het wereldlijke recht en het derde aspect betreft de betekenis van de geheimhoudingsplicht.
De verdoezelende kerkdienaren handelden zoals ze handelden omdat ze waarachtig vonden en vinden dat ze het goede doen, het goede zijn. Er zijn in de criminologie veel theorieën over de vraag waarom mensen ‘slecht’ doen. Wat ik denk te hebben geleerd dat zich onder al die theorieën bevindt, is dat het algemeen menselijk is om te menen dat je ‘goed’ doet. Een ‘slecht geweten’ leidt heel vaak – begrijpelijkerwijs – naar een legitimatie van de ‘slechte daad’. Winkeldieven, zwartrijders klagen het kapitalisme en de uitbuiting aan; drugsdealers voorzien in een behoefte; ik schrijf onder pseudoniem op internet om mijn privacy te beschermen. Het is menselijk om te proberen een zelfbeeld op te bouwen waarin het ‘goede’ domineert.
Bij uitstek het goede is: Gods werk. En dat, menen de clerici, is wat zij doen: in hun pastorale werk, in het onderwijs en in het toedienen van sacramenten. Zeker het toedienen van sacramenten is ‘goed’ van een hogere orde dan de meesten onder ons kunnen doen: de priester is de Hand van God en de Kerk is de hoeder van het werk van God. Je zult maar tegen een mens mogen zeggen: ‘God vergeeft je’. Tegen zulke bovenmenselijke goedheid lijkt een al te menselijke fout zoals het seksueel benaderen van een kind als een kleinigheid af te steken.
Vandaar dat steeds in de commentaren van kerkdienaren – ook in de recente brief van de paus aan de Ierse gelovigen – het goede werk van de kerk benadrukt wordt en vandaar ook de steeds weer blijkende overtuiging dat de kerk het probleem van het seksuele misbruik het best zelf kan aanpakken. De kerkelijke gezagsdragers handelden zoals ze handelden vanuit een authentiek geloof dat de kerk boven de wet staat. Ik heb bij het lezen van de kerkrechtelijke teksten telkens weer een onthutsende ‘omstulpingservaring’: de bisschoppen en andere gezagsdragers die misbruiksituaties ‘binnenskamers’ hebben gehouden, hadden gelijk. Ze hebben steeds geheel volgens het voor hen geldende canonieke recht gehandeld. Dat recht, dat precies voorziet in hoe er gehandeld moet worden bij een beschuldiging van seksueel misbruik, maakt het feitelijk onmogelijk om, bijvoorbeeld, aangifte te doen en het onderzoek aan burgerlijke autoriteiten over te laten.
Er is binnen het canonieke recht geen ruimte voor ‘feedback’ van beneden naar boven. Dat betekent dat de kerkdienaren als burger in de seculiere wereld net als ieder ander mens rechten en verantwoordelijkheden dragen, maar tegelijkertijd in de kerkelijke wereld fungeren als instrument van hogerhand of Hoger-hand. Rechten en plichten van gelovigen en van kerkdienaren worden van bovenaf geregeld en daarbij hoeft geen rekening te worden gehouden met wat de betreffende mensen daar zelf van vinden. Anderzijds betekent het dat de clerici naar ‘beneden’ toe feitelijk kunnen doen wat ze willen doordat ze die macht van bovenaf toebedeeld krijgen. Gelovigen hebben, bijvoorbeeld, niets in te brengen tegen de benoeming van een bepaalde pastoor en de wijze waarop deze de biecht afneemt. En de pastoor is weliswaar onderworpen aan het gezag van de bisschop en de paus, maar legt uiteindelijk alleen verantwoording af tegenover God.
De kerkelijke wereld biedt haar dienaren materiële en vooral spirituele zekerheden die ten enen male in de burgerlijke wereld ontbreken. Ik begrijp heel goed dat de katholieke zekerheden kunnen maken dat de burgerlijke wereld voor hen de wereld wordt waarin zij menen zich niet te kunnen handhaven. Het Griekse ‘katholikos’ betekent: ‘algemeen’, ‘universeel’, ‘voor allen’. De Kerk is voor de kerkdienaren de Wereld – mét Toegangspoort naar de Andere Wereld; de wereld daarbuiten is, ietwat grof gezegd, een onsamenhangend zooitje heidenen waar zij het Woord moeten proberen te verspreiden. Iedere keer als ik hoor of lees wat een of andere katholieke gezagsdrager over de misbruikellende te zeggen heeft, herken ik daarin de combinatie van de overtuiging van hun intrinsieke ‘goedheid’, de impliciete aanname dat de kerk boven de wereldlijke wet staat, en schuwheid voor de mogelijkheid dat zij zelf door de burgerlijke wereld ter verantwoording kunnen worden geroepen.
De kerkelijke gezagsdragers dwongen de misbruikte kinderen te zwijgen. De ondergrond van die zwijgplicht ligt in de bovenstaande twee aspecten: de kerk en haar dienaren zijn niet gebaat bij openheid van zaken en hebben, middels het kerkelijke recht, de macht daadwerkelijke openheid te voorkomen.
Op het gebied van dit gedwongen zwijgen ben ik behalve juridisch en criminologisch ook ervarings-deskundig. Mijn vader heeft mij gedurende ongeveer tien jaar misbruikt. Dat misbruik heeft me geschaad – dat laat ik hier verder buiten beschouwing. Mijn vader heeft me geheim-houding opgedrongen en dát is hier het relevante punt. Tegenover mijn moeder én tegenover de buitenwereld heeft hij mijn beweringen ten stelligste ontkend en door verreweg de meesten werd hij geloofd. Lang nadat ik het ouderlijk huis verlaten en daarmee het misbruik beëindigd had, heb ik meermalen geprobeerd mijn vader te bewegen tegenover iemand, wie dan ook, toe te geven dat hij mij misbruikt had. Dat heeft hij steeds geweigerd. Tenslotte heb ik de oud-huisarts die ons gezin in zijn patiëntenbestand had gehad, benaderd en met hem de mogelijkheid besproken mijn vader te bewegen zijn misbruik toe te geven. Vervolgens hebben wij samen mijn vader bezocht. Die bleek nog wel de verzekering nodig te hebben dat zijn misbruik van mij inmiddels strafrechtelijk verjaard was, maar hij heeft het uiteindelijk toch opgebracht ten overstaan van deze oud-huisarts toe te geven dat ik de waarheid had gesproken. [NB: hier verwijst Maud naar het bezoek dat zij en ik aan Kips sr. brachten zoals samengevat op blz. 21-22. Omdat we in de tijd dat dit blogbericht verscheen nog niet altijd onder onze eigen namen schreven zoals we intussen wel doen, ben ik destijds in dit verslag als 'oud-huisarts' opgevoerd in plaats van als bevriende collega van Kips sr. zoals ik samengevat heb op blz. 14 (HSV).] Dit gebeurde ongeveer dertig jaar nadat ik uit huis vertrokken was. De geheimhouding waartoe mijn vader me veroordeeld had, maakte mij al die tijd tot huichelaar en, mocht ik ooit spreken, tot leugenaar. Tot aan de dag dat onze huisarts en ik hem zijn bekentenis ontlokten, was ik een leugenaar. Ik heb daarna pas langzaam begrepen wat de bevrijding van dat ‘label’ voor mij betekende. Enerzijds was ik op existentieel niveau gevormd door wat met mijn vader met me had uitgehaald, anderzijds kon ik dat nooit onthullen zonder die beschuldiging (want dat is het) te kunnen substantiëren en me dus tot leugenaar te maken. Waar het seksueel misbruik me beschadigd heeft, kon ik tot op zekere hoogte een soort van genezing zoeken en deels vinden. Maar die gedwongen geheimhouding is behalve tijdens mijn jeugd ook ruim drie decennia van mijn volwassen leven een dagelijkse aangelegenheid gebleven, iets wat niet had opgehouden me steeds weer opnieuw te beschadigen, tot aan het moment dat mijn vader me er in het bijzijn van een derde en dus in wezen in het openbaar van vrij sprak.
Het is vooral dit specifieke aspect van de verplichte geheimhouding dat, naast mijn juridische deskundigheid, mij beweegt het document ‘crimen sollicitationis’ aan de kaak te stellen. De kerk maakt met pauselijk gezag een essentiële, existentiële ervaring van mensen tot een onleefbaar geheim en ontneemt zodoende, mogelijk nog meer dan door het misbruik zelf, die mensen onder andere de mogelijkheid op hun eigen wijze en in hun eigen tijd het echte, essentiële geheim van de seks in vrije, zelf gezochte en zelf vormgegeven relaties te benaderen. Dat de kerk dit doet met het oogmerk ‘het goede’, sterker: het ‘ultiem goede’ te doen, namelijk het doorgeefluik van God te zijn en te kunnen blijven, maakt het niet minder schadelijk en schandelijk. Ik blijf dan ook van mening dat de kerk in het openbaar verantwoording moet afleggen voor de verplichte geheimhouding en deze met terugwerkende kracht buiten werking stelt. De Paasboodschap van dit jaar lijkt me voor Benedictus XVI (vorig jaar zei hij: ‘Op Paasmorgen is alles vernieuwd’) dé gelegenheid hiermee te beginnen.’
Blz. 39: ‘Reïncarnatie’: zie mijn opusculum ‘Reïncarnatie? Essay over de veranderende aard van de kennis’, Uitgeverij Ad. Donker Rotterdam, 2010, ISBN 978 90 6100644 2, NUR 743
Blz. 40: ‘… het begrip van het numineuze …’. Het begrip van het numineuze is in 1917 geïntroduceerd door Rudolf Otto (1869 – 1937) in ‘Das Heilige – über das Irrationale in der Idee des Göttlichen und sein Verhältnis zum Rationalen’. Het is een boek waarin, anders dan ‘The Acting Person van Karol Wojtyɬa die op blz. 51 even aan de orde komt, het charisma en de bevlogenheid van de auteur overal tussen de regels voelbaar en werkzaam zijn. Heel bijzonder is de aanhef van het ‘Dritte(s) Kapitel: ‘Das Kreaturgefühl’ als Reflex des numinosen Objekt-gefühls im Selbstgefühl’. Ik copieer … :
‘Wir fordern auf, sich auf einen Moment starker und möglichst einseitiger religiöser Erregtheit zu besinnen. Wer das nicht kann oder wer solche Momente überhaupt nicht hat, ist gebeten nicht weiter zu lesen. Denn wer sich zwar auf seine Pubertäts-gefühle Verdauuungs-stockungen oder auch Sozia1-gefühle besinnen kann, auf eigentümlich religiöse Gefühle aber nicht, mit dem ist es schwierig Religionskunde zu treiben. Er ist entschuldigt, wenn er für sich versucht mit den Erklärungs-prinzipien die er kennt soweit zu kommen wie er kann, und sich etwa “Ästhetik” als sinnliche Lust und “Religion” als eine Funktion geselliger Triebe und sozialen Wertens oder noch primitiver zu deuten. Aber der Ästhetiker der das Besondere des ästhetischen Erlebens in sich selber durchmacht wird seine Theorien dankend ablehnen, und der Religiöse noch mehr.’
… en geef in een onverantwoord vrije, aan de Nederlandse verbale omgangsvormen anno nu, bijna een eeuw na het verschijnen van het boek van Otto, aangepaste vertaling, waarin ik vanaf het *-teken schaamteloos ‘hineingeheimnisst’ heb dat de strekking van de tekst van Rudolf Ottto volgens mij in hoge mate in dezelfde richting wijst als die van mijn visie op het probleem van de kerk, in de volgende passage weer wat ik hier in lees:
‘Op dit punt van de tekst, bij het creatuur-gevoel als reflex van het numineuze object-gevoel in het zelfgevoel, aangekomen kan de auteur het niet laten zich even persoonlijk tot de lezer te richten. U, lezer, wordt nu uitgenodigd, om niet te zeggen uitgedaagd, om in u zelf een moment van religieus excitement op te roepen. Ik schrijf het in het Engels, want het Duitse ‘Erregtheit’ laat zich niet in het Nederlands vertalen zonder misverstanden op te wekken. En ik ben absoluut serieus: als u dat niet kunt, als u überhaupt geen gevoel voor het religieuze heeft, dan verzoek ik u dit boek niet verder te lezen. U zult er namelijk niets van begrijpen. U kent als modale burger-lezer waarschijnlijk de gewone puberale emoties en u bent en/of voelt zich vermoedelijk af en toe geconstipeerd, en zelfs het elementair-sociale is u waarschijnlijk niet vreemd, maar als u zelfs niet weet wat het woord ‘religieus’ betekent, kan ik niet met u communiceren. Hele volksstammen menen dat ze begrijpen wat religie is omdat ze er aesthetische gevoelens bij hebben of aangenaam sociaal bezig zijn, maar dat is een endemisch misverstand * en juist dàt misverstand, dat bijna niemand onderkent, maakt dat het probleem van de kerk nu als een spookverhaal door Europa waart.
Het boek is overigens begin van deze eeuw in het Nederlands vertaald; het heeft hier, voor zover ik kan nagaan, niet echt de blits gemaakt hoewel het al snel herdrukt is: ‘Het heilige: een beschouwing over het irrationele in de idee van het goddelijke en de verhouding ervan tot het rationele’, paperback, 256 pagina’s, Uitgeverij Abraxas augustus 2002, 2e druk, 300 pagina’s, april 2005, ISBN: 9789021140407.
Blz. 46: ‘… een enkele vermetele pontifex …’: ik ken één uitzondering: Karel Douven SJ (1920 1995).
Blz. 51: ‘ … “The Acting Person”, … Karol Wojtyɬa, paus Paulus Johannes II, …”de opdracht aan de mens om onophoudelijk te streven naar de onthulling van zijn eigen mysterie”…’: Ik copieer van de flaptekst: ‘Originally entitled Osoba i Czyn and published in Poland in 1969, The Acting Person is the official English translation and has been thoroughly edited and revised with the collaboration of the author. The book stresses that Man must ceaselessly unravel his mysteries and strive for a new and more mature expression of his nature. The author sees this expression as an emphasis on the significance of the individual living in community and on the person in the process of performing an action. The author states in his preface that he has tried to face the major issues concerning life, nature, and the existence of Man directly as they present themselves to Man in his struggles to survive while maintaining the dignity of a human being, but who is torn apart between his all too limited condition and his highest aspirations to set himself free. The author hopes that his book “contributes to this disentangling of the conflicting issues facing Man, which are crucial for Man’s own clarification of his existence and direction of his conduct.”` The author’s analysis of the human being is a dynamic counter to the materialistic and positivistic tendencies in various schools of modern philosophy. Ever since Descartes, the knowledge of Man and his world has been identified through cognition. This book is a reversal of the post-Cartesian attitude toward Man in that it charactenses him as the person in action. … The Acting Person will be of great interest to philosophers, anthropologists, and scholars specializing in phenomenology. lt will also be of deep concern to theologians, priests, seminarians, and members of religious orders who wish to gain an insight into Pope John Paul ll’s philosophy of life. – “The Acting Person represents a major effort to rethink the human reality in the face of the many frozen assumptions which dominate contemporary thought.”, Professor Benjamin Schwartz, Harvard University – “This powerful phenomenologi-cal study will have lasting impact on those concerned with the contemporary conception of Man.”’ `Professor Joseph Kockelmans. Pennsylvania State University. – “A masterly critical edition… its publication is an historical event.” Professor Kamil Dziewanowski, Boston State University. – D. Reidel Publishing Company, Dordrecht: Holland / Boston : U.S.A. / London : England, 1979. …
Blz. 51: ‘… Karol Wojtyɬa …’: In de wandelgangen van de meer afgelegen buitengewesten van het Vaticaan circuleerde eind vorige eeuw het gerucht van paus Pauls II interesse in reïncarnatie zou hebben. Later is er nooit meer iets van vernomen; Karel Douven is tot nu praktisch de enige zwaluw voor de alsmaar niet doorbrekende nieuwe lente in de kerk. Omstreeks 1980 schreef ik erover aan ‘mijn ‘ [als Rotterdammer] bisschop, mgr. Ron Bär, om te informeren naar de aannemelijkheid van die geruchten. Per kerende post kreeg ik een handgeschreven brief terug, met een onversneden sympathiek, eerlijk ontkennend antwoord. Bijna was ik er heel even r.k. [Rotterdams katholiek] van geworden. Waarom vertel ik dit allemaal hier? Omdat ik aan de herinneringen die nu bij mij boven komen weer steun vind voor de onvermijdelijke conclusie van mijn essay: het probleem van de kerk is in de allereerste plaats het probleem dat de boodschap van de kerk zelfs de gezagdragers zelf niet meer aanspreekt …
Blz. 53: ‘… zei Nissen.’: NRC Handelsblad, 27 npovember 2010
Blz. 56: ‘ een passage uit een boek …: Jean Gebser, Ursprung und Gegenwart – Erster Teil – Die Fundamente der aperspektivischen Welt – Beitrag zu einer Geschichte der Bewusstwerdung (1949)]