‘In de wachtkamer van mijn huisarts vind ik altijd foldertjes, die mij op opgewekte toon de gebreken van de ouderdom willen inpeperen,’ schreef Frits Abrahams gisteren in zijn column op de achterpagina van de NRC H. ‘Ze laten hun licht schijnen op al het vreselijke ongerief dat je nog te wachten staat, maar tegelijkertijd roepen ze: „Houd moed, we vinden er wel wat op!” … Begon ik me bij het lezen van deze folders al een stuk jonger te voelen, het jeugdige bloed tintelde pas weer echt in mijn aderen toen ik de folder van Ezerex tot me nam. …’ en zo gaat het door.
De hele column is een trefzeker-gruwelijk commentaar op de moderne voorlichtingsstrategie van wat vroeger medische zorg heette maar nu door Nederland gaat als de handel in DOT-producten. ‘DOT’ = ‘Dbc Op weg naar Transparantie’; DBC = Diagnose Behandel Combinatie’ = de verbale variant van de streepjecode die de kassa bij de uitgang van de gezondheidszorgse supermarkt kan lezen.
Hoe meer ik van dit soort wanstaltige verhalen als Abrahams parodieert te lezen krijg, hoe meer ik geen tekst meer heb. Maar ik MOET wat – dit KAN zo niet doorgaan. Ik bedenk iets. Waarom leggen huisartsen niet foldertjes in hun wachtkamer met bij voorbeeld een tekst als deze, die ik voor deze gelegenheid zelf bedacht heb?
Een krachtig geneesmiddel kan zéér krachtige ongewenste nevenwerkingen hebben. Dat is een oude les in de geneeskunde. En naarmate het langer geleden is dat een nieuw krachtig geneesmiddel werd ingevoerd, wordt de kans groter dat zeer ongewenste nevenwerkingen gaan optreden die als extra probleem hebben dat ze zich pas na lange tijd voordoen. Zo een situatie begint zich nu inzake antibiotica af te tekenen.
Toen die in de wereld kwamen, in Nederland kort na de Tweede Wereldoorlog, was dat een grootse triomf van de geneeskunde. Ik herinner me nog precies hoe Jo Pannekoek, legendarische internist uit die tijd, me daarover vertelde toen ik hem bijna twintig jaar later, in 1973 interviewde voor de Geneeskundige Gids.
‘Die therapie, dat heeft me altijd zeer geboeid, vooral omdat ik de triomfen hiervan zelf heb meegemaakt,’vertelde hij. ‘Ik herinner me nog dat het Canadese leger mij wat penicilline gaf en dat ik daar een eerste pneumonie-patiënt mee behandelde, en dat je binnen 24 uur zag dat zo’n patiënt beter was. Die penicilline dat was iets, dat was een wonder als je dat zag. En toen kwam dus de streptomycine en zag je een meningitis tuberculosa beter worden! lk herinner me nog, als assistent bij Hijmans van den Bergh, op een dag .werd een zoon van een slagersgezin opgenomen. Dat gezin had al vier kinderen verloren aan tuberculose; en de huisdokter had bij dit vijfde kind gedacht dat het griep was, maar de ouders waren ongerust en die hadden doorgezet dat die jongen opgenomen werd. Ik zie die jongen, laat een foto maken en hij had terminale tuberculose. Nou, je had niks anders tegen dan tegen de ouders te zeggen dat ze gelijk hadden en dat het nog maar een paar weken kon duren en dat het afgelopen was – ik zal die wanhoop van die ouders nooit vergeten. Dat is iets wat indruk maakt. En als je dan ziet dat die mensen beter worden – als je een meningitis tuberculosa weer ziet herstellen – als je grote gaten in hun longen weer ziet genezen, dat is een wonder. En ik moet ook zeggen dat ik blij ben dat ik in deze tijd geleefd heb.’
Maar intussen zijn we ruim 60 jaar verder. Het wonder is afgelopen.
Antibiotica brengen permanente schade toe aan darmbacteriën die ons lichaam juist beschermen, tegen overgewicht, allergieën en hart- en vaatziekten. Dit alarmerende nieuws werd 5 november gemeld in de NRC Handelsblad. Martin Blaser, arts en wetenschapper aan New York University, vindt dat artsen om die reden veel minder antibiotica moeten voorschrijven dan ze nu doen. Hij baseert zich op een artikel van Stanford-onderzoekers. Dat verscheen in maart in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. In de darm wonen tienmaal zoveel bacteriën als er cellen in ons lichaam zijn. We kunnen niet zonder deze ‘vriendelijke hulptroepen’. Ze helpen ons bij het verteren van ons voedsel, ze voorzien ons van vitamine K en ze beschermen ons tegen ziektekiemen. Ook indirect heeft de darmflora invloed op onze gezondheid, zo blijkt uit steeds meer onderzoek. Mensen met een verstoorde darmflora en naar verhouding minder ‘gunstige’ bacteriën, blijken bijvoorbeeld meer risico te lopen op het ontwikkelen van overgewicht, allergieën en hart- en vaatziekten. De nuttige bacteriën leggen massaal het loodje als hun gastheer antibiotica gebruikt omdat antibiotica meestal niet specifiek één bepaalde ziekteverwekker doden. Hun werking is algemener: ze maken bijvoorbeeld bacteriële celwanden kapot, of voorkomen dat bacteriën zich kunnen voortplanten. Sommige effecten zijn niet al na een week weer over. Eén kuur is blijkbaar al voldoende om permanente schade te berokkenen aan de gunstige bacteriën. Is dat ernstig verontrustend? De meningen zijn verdeeld. Ger Rijkers wordt in de NRC Handelsblad geciteerd: “Je ziet inderdaad een spectaculaire verandering na een antibioticakuur, maar mijn ervaring in dergelijk onderzoek is dat de eigen darmflora na een maand of twee weer intact is”, zegt hij. “Iedereen heeft zijn eigen specifieke darmflora. De samenstelling daarvan is niet toevallig. Iedereen komt immers in aanraking met dezelfde bacteriën. Welke je houdt, hangt af van je eigen immuunsysteem.”Ook Willem de Vos, hoogleraar microbiologie aan de Wageningen Universiteit, relativeert het darmonderzoek dat Blaser aanhaalt. “Deze Stanford-onderzoeker volgde slechts drie mensen”, zegt De Vos. “Dat is te weinig om er zulke verregaande conclusies op te baseren. Deze mensen slikten vrijwillig antibiotica. Je zou een dergelijk onderzoek in een veel grotere groep willen doen, maar dat is heel erg lastig.” Het probleem is dat het onethisch is om grote groepen mensen die niet ziek zijn, herhaaldelijk aan antibiotica bloot te stellen. En een grootschalig onderzoek onder zieke mensen is ook lastig: zij hebben die antibiotica nodig omdat ze ziek zijn en die ziekte kan misschien ook de schommelingen in hun natuurlijke bacterieflora veroorzaken. “Gevoelsmatig denk ik wel dat Blaser gelijk heeft”, zegt De Vos, “in elk geval als het gaat om herhaaldelijk gebruik. Maar bewijs dat maar eens.”
Om die laatste zin gaat het mij als filosoof-arts. Ook mijn gevoel zegt me dat het massale antibiotica-gebruik onaanvaardbaar grote ongewenste nevenwerkingen krijgt, en evenzeer voel ik mee met het dilemma van de onderzoekers in het laboratorium en de artsen aan het ziekbed. Maar vooral de activist die ook in mij leeft voelt zich aangesproken. Waarom lukt het ons nog steeds niet echt goed het immens rijke arsenaal theorieën en ervaringen en praktische toepassingen uit de complementaire sfeer zó in te zetten dat het antibiotica-gebruik vanzelf daalt?
Patiënten hebben tegenwoordig inspraak. De dokter is wettelijk verplicht hen goede voorlichting te geven. Als ze meer zekerheid willen, kunnen ze een second opinion vragen. Informed consent, heet dat. En die gaat niet alleen over lijfelijk-medische dilemma’s. En ieder jaar moeten wij allemaal, net omstreeks deze tijd van ‘t jaar, bij ons zelf te rade gaan of we de voor hen beste ziektekostenverzekeringsmaatschappij hebben gekozen. Waarom worden we inzake het financiële plaatje inzake al die ingewikkelde beslissingen als superdeskundige mondige burgers aangesproken en geldt inzake een fundamenteel medisch probleem als wel of geen antibiotica het intussen helemaal achterlijk geworden motto van lang geleden ‘wat dokter doet, is altijd goed’?
Patiënt, neem uw lichaam en wandel. ‘Slechts door het geloof zult gij gered worden,’ werd vijf eeuwen geleden een slagzin inzake het eeuwig heil hierná. ‘Slechts door optimaal gebruik van uw eigen benul zult gij uw lichaam veilig door uw leven in déze incarnatie loodsen,’ maak ik daarvan.